Alle berichten in de categorie “Uncategorized

Niet weg van de ‘Nieuwe Weg’ (Tijdschrift Sociologie)

Afbeeldingsresultaat voor new way of the world

In het publieke debat wordt de term ‘neoliberalisme’ geregeld gebruikt om pleidooien voor meer marktwerking (en minder overheid) te labelen en weg te zetten. Dit is echter een te oppervlakkig gebruik van dit begrip, waarmee de strijd tegen het neoliberalisme ook niet gediend is. Dit is althans het startpunt van The New Way of the World: On Neoliberal Society van filosoof Pierre Dardot en socioloog Christain Laval. Het boek rammelt aan alle kanten, behalve wanneer Dardot en Laval het in hun kritiek op het neoliberalisme dicht bij huis zoeken, bij de grote Franse denkers.

Lees de uitgebreid bespreking op Tijdschrift Socologie.eu

Loten én selecteren is beter dan loten alleen (Trouw)

Universiteiten en hogescholen mogen de toelating tot populaire studies, zoals geneeskunde en psychologie, weer via loting bepalen. Een meerderheid van de Tweede Kamer ging dinsdag akkoord met deze motie, ingediend door Harry van der Molen (CDA) en Jan Paternotte (D66). Het vorige kabinet schafte loting af. Studenten werden in plaats daarvan geselecteerd op basis van hun prestaties en motivatiebrieven. Is het terecht dat loten weer mogelijk wordt?

Lees verder op Trouw.nl

Call for papers! (Deadline 15 april)

tpedigitaal.nl

Waarom heeft Nederland de 2020 doelstelling voor hernieuwbare energie (dik) niet gehaald? Hoe zit het met al die andere 2020-doelen?Hebben lang termijn-doelstellingen (nu voor 2030 of 2050) eigenlijk wel zin?

TPEdigitaal is van plan om in de herfst van 2020 een themanummer uit te brengen over het nut en de noodzaak van het stellen van beleidsdoelen in de toekomst. We willen bijvoorbeeld terugblikken op de doelstellingen die in de EU in 2020 zouden moeten zijn gehaald (‘Europa 2020’), maar ook de vele beleidsdoelen die overheden en bedrijfsleven zich stellen voor 2030 en 2050. We denken hierbij aan een (politiek-) economische blik op vragen zoals:

  • Zijn de doelen gesteld voor 2020 gehaald, en zo nee, waarom niet? Wordt er genoeg ex-post gekeken of doelen gerealiseerd zijn?
  • Wat is de waarde van voorspellende ramingen voor de zeer lange termijn in het algemeen? Wat is de politiek-economische werking? Moeten we deze ramingen blijven maken?
  • De Europese Unie heeft onderzoeksgeld beschikbaar gesteld in het Horizon 2020-project voor onderzoek dat moet leiden tot een innovatieve, veerkrachtige EU met aanbevelingen voor economische groei en het aanpakken van maatschappelijke problemen. We verwelkomen uitkomsten uit deze onderzoeksprojecten, maar ook reflecties op dergelijke top-down sturing.
  • Op welke uitdagingen moet Nederland zich voor de komende 30 jaar voorbereiden?

U kunt uw bijdrage tot 15 april sturen naar redactie@tpedigitaal.nl.

We verwelkomen het hele jaar door tevens spontane kopij. Meer informatie over het insturen van artikelen vindt u op de pagina auteursinstructie.

De zegeningen van het kapitalisme (dNBg)

Dat ons economische systeem religieuze trekken vertoont moge bekend zijn, maar dat het kapitalisme de doorstart is van onze voormoderne religiositeit, is een opvallende stelling. Historicus en belijdend christen Eugene McCarraher stelde een zwartboek samen met alle afgoderij waarmee de economie doordesemd is. Het nieuwe pleidooi voor de vrije markt van economisch historicus en tevens overtuigd christen Deirdre McCloskey gaat hier dwars tegenin.

Het is al enige tijd bon ton om de wereldwijde beweging tegen klimaatverandering weg te zetten als de ‘klimaatkerk’, met ‘profeten’ (Greta Thunberg), ‘hogepriesters’ (hoogleraren in Priussen) en een ‘klimaatpaus’ (ooit Al Gore, nu Frans Timmermans) die het ‘groene evangelie’ willen doordrukken. Dapper zijn de ‘klimaatsceptici’, de Galilei’s van onze tijd die het ‘duurzaamheidsdogma’ durven te doorbreken!

Eugene McCarraher, The Enchantments of Mammon: How Capitalism Became the Religion of Modernity (Harvard University Press 2019), 816 blz.
Deirdre McCloskey, Why Liberalism Works: How True Liberal Values Produce a Freer, More Equal, Prosperous World for All (Yale University Press 2019), 400 blz.

Duurzaamheid is op zich te vergelijken met religie, zonder dat het overduidelijk een gimmick is om propaganda mee te bedrijven en het eigen geweten te sussen. Dagblad Trouw heeft wel eens een ‘groene catechismus’ samengesteld op basis van teksten van onder anderen Herman Wijffels en Klaas van Egmond. Zinsneden als ‘het eren van de Aarde’ en ‘heilige opdracht’ of verwijzingen naar de apocalyps en boetedoening hebben een religieuze bijsmaak. Trouw noemde duurzaamheid een ‘seculiere religie’ en daar valt wel wat voor te zeggen, ware het niet dat het de kern van religie, het geloof in het magische, bovennatuurlijke, ontbeert. ‘Moeder Aarde’ is niet de nieuwe God, maar gewoon de natuurlijke omgeving die ons en onze economie draagt.

En laat de economie zich nu juist veel beter lenen voor religieuze kritiek. Het is veel eerder het moderne economische systeem dat veel weg heeft van een kerk, een ‘grijze’ kerk, met een onwrikbaar geloof in economische groei en innovatie. Tien miljard vleesetende, vliegreismakende aardbewoners in 2050? Komt vast goed. Een uitdijende economie in een eindig ecosysteem? Daar innoveren we ons wel uit. Een leap of faith, om het zacht uit te drukken. Economische groei is een even fascinerend als dubieus geloofsartikel.

De Amerikaanse historicus Eugene McCarraher gaat in zijn magistrale cultuurgeschiedenis, The Enchantments of Mammon: How Capitalism Became the Religion of Modernity, veel en veel verder. Het moderne economische systeem is doordrenkt van religie, magie en transcendentie. McCarraher heeft honderden dungedrukte pagina’s aan bewijsmateriaal verzameld. Zijn hoofdpunt: onze moderne economie heeft onze wereld niet ‘onttoverd’ met haar rationalisme en hebzucht, maar de betovering voortgezet, dankbaar puttend uit de goedgelovigheid en hang naar het transcendente die de mens eigen is. Dit tot groot verdriet van McCarraher, want de tot droomwereld opgeblazen economie is niet meer dan een afgod, een halfbakken religieuze replica die het zicht belemmert op de echt toverachtige wereld, waarin mens, gemeenschap en natuur in balans zijn met God. McCarraher maakt er geen geheim van een katholiek te zijn met een missie.

Why Liberalism Works: How True Liberal Values Produce a Freer, More Equal, Prosperous World for All, het nieuwe boek van Deirdre McCloskey, economisch historicus, allround intellectueel en overtuigd episcopaal, is met zo mogelijk nog meer zendingsdrang geschreven, maar bepleit haast het tegenovergestelde. In driehonderdvijftig ronkende pagina’s vol argumenten, cijfers en literaire verwijzingen probeert McCloskey de lezer te overtuigen van de zegeningen van het kapitalisme: de vrije uitwisseling van spullen en ideeën heeft het leven onherkenbaar veranderd en verrijkt, met name voor de allerarmsten. Gezegend zij Adam Smith, aldus McCloskey.

Twee bevlogen, belezen en devote denkers, twee volstrekt tegengestelde betogen. Of niet?

Onttovering
Het startpunt van The Enchantments of Mammon is de onttoveringsthese van de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920). In De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme (1905) voorziet Weber dat het in eerste instantie goddelijk geïnspireerde arbeidsethos van vlijt en spaarzaamheid uiteindelijk verwordt tot een door en door rationeel en bureaucratisch systeem, een ‘stalen kooi’ waaruit alle mysterie en bevlogenheid is verdwenen. De mensen moeten nu leven in een ‘van God vervreemde tijd zonder profeten’, overgeleverd aan de ‘koude skelethanden van rationale ordeningen’.

Karl Marx had volgens McCarraher in het Communistisch manifest (1848) ook al duidelijk gepreludeerd op deze onttovering. Marx stelde het kapitalisme verantwoordelijk voor het vernielen van alle sociale verbanden tot er slechts ‘gevoelloze contante betaling’ over is gebleven, en voor het ontwijden van alles dat heilig is, voor het verdrinken van ‘hemelse extase’ in het ‘ijskoude water van egoïstische berekening’.

Maar, zegt McCarraher, Webers stelling is uiteindelijk onhoudbaar. Het kapitalisme heeft de wereld niet onttoverd, maar van een nieuwe betovering voorzien. Een van de eerste schrijvers die dat doorhad was Thomas Carlyle (1795-1881) die, reflecterend op het (ellendige) industriële Engeland van de negentiende eeuw, sprak van de ‘onzichtbare betoveringen’ en ‘het evangelie van het Mammonisme’. Marx vergeleek de bourgeoisie in het Communistisch manifest met een ‘heksenmeester’ die de ‘onderaardse krachten’ die hij heeft ‘opgeroepen’ niet meer kan controleren. Verder schreef hij al over het ‘warenfetisjisme’, de mysterieuze of zelfs bovennatuurlijke krachten die goederen worden toegekend, zoals bij afgodsbeelden en andere magische voorwerpen in beschavingen buiten West-Europa, en over geld dat als ‘god onder de goederen’ alles tevoorschijn kan toveren of kan transformeren. Weber schreef overigens zelf ook al in Wetenschap als beroep (1919), een jaar voordat hij aan de Spaanse griep stierf, dat de ‘wetten’ van de markt opgestane ‘oude goden’ waren.

The Enchantments of Mammon is een magistraal exposé van vier eeuwen ‘hertovering’ waar McCarraher twee decennia aan heeft gewerkt. Het is het resultaat van twintig jaar verzamelwoede, letterlijk en figuurlijk. McCarraher heeft alle banale commerciële activiteit die tussen 1600 en nu van religieus cachet is voorzien, gearchiveerd en ondergebracht in een even erudiet als polemisch betoog. Hij houdt zich aan de academische mores, maar is duidelijk ook verontwaardigd dat we ons heil zoeken in werk, entertainment en consumentisme.

We zien een bonte stoet aan figuren voorbijkomen, van calvinisten en puriteinen, kwakzalvers, industriëlen tot reclamemakers die allen hebben ingespeeld op onze goedgelovigheid, onze aangeboren hang naar illusie en transcendentie. Of het nu het religieus geïnspireerde arbeidsethos is, het ritualistische en mystieke taylorisme, ‘het Bedrijf’ als goddelijk vehikel of de neoliberale deïficatie van ‘de Markt’, de losgezongen animatiewereld van Walt Disney of de transcendentie van door marketeers gecreëerde merken, McCarraher heeft het gedocumenteerd. Niet alles zit erin: ik mis bijvoorbeeld de uitspraak van Lloyd Blankfein, de geplaagde topman van Goldman Sachs, die midden in de financiële crisis van 2008/2009 verklaarde dat hij ‘Gods werk’ deed. Maar verder is The Enchantments of Mammon een zeer indrukwekkende studie.

McCarraher wil de illusoire luchtbel die economie heet doorprikken. Hij maakt hierbij dankbaar gebruik van bekende critici zoals John Ruskin, Walter Benjamin, Herbert Marcuse, E.F. Schumacher, David Graeber, Naomi Klein en Wolfgang Streeck, vaak denkers met een marxistische insteek. Maar uiteindelijk is het hem vooral om de terugkeer naar de ‘echte’ verwondering te doen, de echte betovering van het ‘paradijs’ dat in en om ons heen zit. Daarvoor gaat hij vooral te rade bij romantische dichters van de achttiende en negentiende eeuw, zoals William Blake (1757-1827) die ‘een wereld in een korrel zand en de hemel in een wilde bloem’ zag of de katholieke bekeerling Gerard Manley Hopkins (1844-1889) die schreef dat God de wereld zou hebben ‘geladen’ met ‘grandeur’. McCarraher wil niet terug naar de voormoderne tijd, maar wel naar het zintuiglijke, de gemeenschapszin, het ontzag voor de natuur waar de economie ons nu het zicht van ontneemt.

The bourgeois deal
Het nieuwe boek van de intellectuele reus Deirdre McCloskey, Why Liberalism Works, dwingt ons juist om de blik op verworvenheden van de economie te richten. Het is de ideologische samenvatting van McCloskey’s driedelige magnum opus over de moderne economie, ‘The Bourgeois Era’, bestaande uit The Bourgeois Virtues (2006), Bourgeois Dignity (2010) en Bourgeois Equality (2016). Hierin prijst ze de gigantische stroom nieuwe en betere goederen en diensten die door de burgerlijke middenklasse – handelaren, vakmensen, ondernemers en uitvinders – is ontwikkeld en verspreid via de vrije markt. ‘Geef ons de vrijheid, dan maken wij je rijk,’ vat McCloskey deze ‘bourgeois deal’ tussen middenklasse en traditionele machthebbers (kerk, adel, staat) samen. Vergeleken met 1800 wordt er wereldwijd meer dan honderd keer meer goederen en diensten geproduceerd. Gemiddeld zijn we dertig keer meer gaan verdienen. De ‘Grote Verrijking’, noemt McCloskey deze revolutionaire verandering.

Why Liberalism Works is, net als deze drie boeken, wederom een retorische tour de force geworden, een echte ‘McCloskey’: een gestaald betoog, eindeloze referenties en kritiek op iedereen die zich met het kapitalisme – zij vindt ‘innovisme’ een betere term – heeft bemoeid. Haar hoofdpunt: willen we onze rijkdom in stand houden dan moeten we de klassiek liberale waarden koesteren, namelijk de minimale overheid en vrije uitwisseling van spullen en ideeën. McCloskey schurkt dicht aan tegen het libertarisme, soms zelfs neoliberalisme wanneer ze voor meer markt pleit. Zelf werpt zij deze terminologie echter verre van zich. Er is maar één liberalisme, het basale minimale-overheidliberalisme – punt uit. Daarom heeft ze ook een broertje dood aan wat (in Engeland en Amerika) voor ‘liberal’ doorgaat: progressief beleid, collectieve actie, actieve overheid. Het is McCloskey een gruwel. Regeltjes, subsidies, vergunningen, nudges, toezicht, dwang, onteigening, opsluiting, executie – het is voor haar allemaal één pot nat. Ze vliegt ook behoorlijk uit de bocht met haar ongezouten, karikaturale kritiek op ‘liberals’ zoals John Kenneth Galbraith, John Rawls of Amartya Sen die een voller, ‘positiever’ vrijheidsbegrip voorstonden. Het maakt haar betoog vaak geforceerd.

Maar je sympathiseert met McCloskey’s onvermurwbare houding als je begrijpt dat onze rijkdom die op het spel staat niet alleen gaat over auto’s, zonvakanties of televisies, maar ook over medicijnen, schoon drinkwater, onderwijs, vrije tijd, bibliotheken en Bach-concerten. De Grote Verrijking heeft ons niet alleen materieel, maar ook moreel en spiritueel vooruit geholpen. Spullen bewandelen de dunne grens tussen het profane en sacrale, aldus McCloskey. Daar komt nog bij dat juist de allerarmsten het meest van de economische vooruitgang hebben geprofiteerd en daar is het haar uiteindelijk om te doen. McCloskey is lid van de Episcopaalse kerk, doneert tien procent van haar inkomen aan goede doelen en bracht jarenlang daklozen onder in haar eigen huis. Gaandeweg Why Liberalism Works wordt duidelijk dat ze eigenlijk een meer humaan ‘liberalisme 2.0’ voorstaat, waarin liefdadigheid de scherpe randjes van de vrije markt afvijlt. Ze weet als geen ander dat marktwerking ook beter werkt als alle partijen deugdzaam opereren. Maar ingrijpen in het marktmechanisme, hoe goedbedoeld ook, werkt alleen maar averechts. Protectionisme of subsidies ogen sociaal, maar maken ons uiteindelijk armer, ook spiritueel.

McCarraher versus McCloskey
Het wonderlijke is dat McCloskey’s werk volstrekt genegeerd wordt door McCarraher. Ze kennen elkaar wel, zoveel is zeker. McCarraher schreef in 2007 een venijnige recensie over The Bourgeois Virtues waarin hij een deel van de kritiek die hij nu in The Enchantments of Mammon heeft op het economische systeem op McCloskey afreageerde. Zij zou geen oog hebben voor de morele schaduwzijden van het kapitalisme. McCloskey reageerde met een open brief waarmee ze McCarrahers kritiek vakkundig fileerde, en waaruit bleek dat zij retorisch gezien, zowel qua ethos, pathos als logos, toch van een net iets hoger kaliber is. McCloskey weet heel goed hoe ze haar gelijk moet krijgen, zonder dat ze dat per se altijd heeft.

Misschien dat McCarraher na deze kleine polemische episode eieren voor zijn geld koos. Aannemelijker is dat McCloskey simpelweg niet goed in te passen is in zijn betoog. McCloskey is niet de typische Amerikaanse protestant die commercie en religie vermengt en het banale eigenbelang van een sacraal vernislaagje voorziet. Ze biedt juist een nuchtere, vrijzinnige kijk op het vrije marktsysteem en ziet diens ‘zegeningen’, als in de aantoonbare toename in kwaliteit van leven, niet als religieuze opsmuk. Haar grote held Adam Smith is ‘gezegend’ vanwege zijn inzichten, niet omdat hij een doorgeefluik zou zijn van een hogere macht. De enige opsmuk die Why Liberalism Works biedt, zijn de talloze filosofische en literaire verwijzingen – onder meer Aristoteles, Kant, Rousseau, James, Emerson, Flaubert, Foucault – die haar betoog het nodige literaire cachet geven en McCloskey’s langgekoesterde stelling onderstrepen dat economie in de kern een retorische discipline is – waarvan akte.

Toch zouden McCarraher en McCloskey elkaar wel degelijk kunnen aanvullen. Ze hebben beiden een afkeer van rationalisme, bureaucratie, van verrijking aan de top en van de innige band tussen grootkapitaal en politiek. Ze zouden van elkaar kunnen leren: McCarraher zou zich net wat sterker tegen het kapitalisme kunnen afzetten als hij zich beter in het marktmechanisme zou verdiepen; McCloskey zou door McCarrahers rijkgevulde cultuurgeschiedenis beter kunnen begrijpen dat ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ niet de enige ideeën zijn die het kapitalisme mogelijk hebben gemaakt. Maar wellicht is de afstand tussen McCarraher en McCloskey, tussen romantisch-links en realistisch-radicaal (rechts kun je haar niet noemen), of misschien wel simpelweg tussen katholiek en protestants, onoverbrugbaar.

Eén opvallende gelijkenis die mij oprecht heeft verbaasd is de rol van hun beider geloof in combinatie met de schitterende afwezigheid van duurzaamheid. McCloskey gelooft heilig in de innovatiekracht van het economisch proces en denkt dat ‘het milieu’ erop vooruitgaat als we rijker worden, zoals dat slechts bij sommige aspecten van het milieu is gebleken. De fundamentele spanning tussen nog meer mensen met nog meer spullen en een eindig ecosysteem lijkt ze niet te erkennen – ze heeft wel eens geschreven dat de dichtbevolktheid van Nederland bewijst dat de wereld een veel grotere bevolking aankan, quod non.

Bij McCarraher is het zijn geloof in de voorzienigheid dat duurzaamheid een non-issue maakt. Hij benoemt wel dat kapitalisme tot ecologische schade leidt, maar werkt dat niet uit – de termen ‘klimaatverandering’ of ‘biodiversiteit’ komen in het boek niet voor en ondanks alle romantische natuurretoriek toont McCarraher ook bar weinig interesse in daadwerkelijke flora en fauna, laat staan ecosystemen. In hetzelfde gedicht waarin Gerard Manley Hopkins de goddelijke ‘grandeur’ van de wereld bezong, staat dat de natuur niet op kan raken (‘nature is never spent’) en zichzelf altijd weer vernieuwt. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde,’ klinkt er onwillekeurig in mijn achterhoofd, het refrein van een liedje dat ik op mijn christelijke basisschool meezong. De blijde boodschap is: God zorgt wel voor de aarde. Het is een comfortabel geloof, net zo comfortabel als dat van McCloskey. Een echte scepticus blijft weg bij beide.

Waarom geven we elkaar eigenlijk cadeaus? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

December cadeaumaand. Maar waarom eigenlijk? Waarom geven we elkaar cadeaus, wat drukken we daarmee uit? Aan de vooravond van Black Friday buigt het Filosofisch Elftal zich over die vragen.

De decembermaand staat garant voor lange rijen bij de kassa’s en drukke webshops. Morgen is het Black Friday, volgende week pakjesavond en dan volgen de Kerstdagen nog. Al die data staan garant voor veel cadeau­s kopen. Tegelijkertijd weten we inmiddels dat consumentisme niet tot echt geluk leidt, en dat almaar nieuwe spullen kopen niet goed is voor de wereld. Daarom buigt het Filosofisch Elftal zich over de vraag: wat is cadeaus geven in wezen eigenlijk? En hoe daarmee om te gaan in tijden van klimaatverandering?

“Voor een econoom heeft een cadeau alleen de waarde die je op de kassabon kunt aflezen”, zegt Paul Teule, filosoof en econoom, docent aan de Universiteit van Amsterdam. “Maar een cadeau valt niet te reduceren tot een bonnetje. Het gaat niet om de transactie, maar om de symbolische taal die een cadeau uitdrukt, waarmee we onze relaties weergeven en onderhouden. Dat zie je door de hele geschiedenis heen. Vroeger ging het vaak om status en wederkerigheid. Maar ook nu geven we met cadeaus uitdrukking aan onze relaties: we willen laten zien dat we van onze kinderen houden, dat we onze partner goed kennen, dat we onze welvaart graag delen met onze ouders. Het is eigenlijk één groot sociaal spel. Het probleem is dat dit spel nu een te grote tol eist voor het milieu en dat producten te goedkoop zijn. Organisaties als True Price laten dat steeds beter zien. Een gemiddelde spijkerbroek zou bijvoorbeeld dertig euro duurder moeten zijn – dan heeft de maker ervan een fatsoenlijk inkomen, een gezonde werkomgeving en wordt milieuvervuiling opgeruimd. Ik kan me voorstellen dat mensen denken: ‘Cadeautjes geven, mag dat nou ook al niet meer?’ Maar dat is gelukkig niet het geval. We moeten alleen kiezen voor de juiste prijs, door van bedrijven te kopen die rekening houden met mens en milieu. Waarschijnlijk koop je dan meteen wat minder, omdat de cadeaus duurder zijn. Je hebt de kosten in de keten dan betaalt, en je kunt gewoon cadeaus blijven geven – want daar is niks mis mee.”

Sinterklaas-etalage in de Bijenkorf. Beeld ANP

“Maar met de manier waarop we dat nu doen wel”, reageert filosoof en columnist Tinneke Beeckman, “zelfs als we verantwoorde cadeaus kopen. We leven continu in overvloed; een feest is enkel een periode van nóg meer overvloed. Vroeger gaf je met de feesten geschenken en was dat speciaal. Dat zorgde ervoor dat geschenken direct verbonden waren met wat je vierde, bijvoorbeeld de terugkeer van het licht met Kerstmis. Ze brachten daardoor een zekere spiritualiteit met zich mee. Mijn grootmoeder kreeg op kerstnacht bijvoorbeeld altijd chocolademelk en rozijnenbrood. Voor haar was dat een ware traktatie. Maar nu kunnen we elke dag koekjes, chips en chocola eten, en krijgen we zo vaak cadeautjes. Dat haalt de magie van feestdagen en geschenken weg. Juist om van overvloed te kunnen genieten, is het denk ik goed om wat meer contrast in te bouwen. Om overvloed af te wisselen met schaarste, net zoals na Kerst traditioneel de vastentijd volgt. En met schaarste bedoel ik: de verwennerij even beperken, je hoeft niet op een houtje te bijten. Het gaat er dus niet zozeer om wat je met de feestdagen doet, maar juist om wat je in de periodes daartussen doet – dan moeten we ons niet zo overgeven aan het consumentisme. Zodat een feest met cadeautjes weer echt feestelijk gaat voelen.”

Teule: “Het is alleen ontzettend moeilijk om je niet over te geven aan het consumentisme. Antropoloog Mary Douglas heeft onderzocht wat we in de westerse wereld eigenlijk met goederen doen. Haar antwoord: we bouwen er onze sociale wereld mee, waar we vervolgens een plek in vinden. Jij bent iemand met een bepaalde kledingstijl, een bepaalde auto of een bepaald uitgavepatroon. Bij de nieuwste iPhone kopen gaat het niet alleen om het bezitten ervan, maar ook om bij de groep horen van mensen die de nieuwste iPhone hebben. Het is goed om je daar bewust van te zijn, zodat je niet wordt opgeslokt door een zinloos statusspel. In hoeverre wil je meegaan in het kapitalistische spelletje om je identiteit uit te drukken? Met kinderen over hun verlanglijstje praten is daarom verstandig, en ook leuk. Waarom willen ze die dingen eigenlijk graag hebben? Omdat de hele klas ze heeft? Omdat ze denken dat ze dan gelukkiger zijn? Kinderen zullen overigens alsnog meegaan met trends, dat is niet zo erg. Maar op deze manier leren ze alvast een beetje reflecteren op hun wensen.”

Beeckman: “Dit laat zien dat we tegenwoordig producten gebruiken voor verbondenheid, in plaats van rituelen. Maar een geschenk hoeft niet altijd een product te zijn. Het kan ook iets zijn dat je samen doet, zoals een leuk uitstapje. Ervaringen leveren vaak meer geluk op dan objecten, bij iets materieels is dat vaak kortstondig. De grote paradox van dagen als Black Friday is dat je gaat winkelen vanuit het gevoel dat je winst maakt door te kopen, waardoor je wordt opgejaagd om meer te kopen. Hetzelfde is het geval bij al die koopjeshoeken met goedkope plastic rommel. We kopen en krijgen voortdurend, maar we vinden het tegelijkertijd ook niet veel waard, want we willen alweer iets anders. Dat werkt vervreemdend. Kerstkoekjes bakken met je kind is daarom waardevoller dan vlak voor Kerst de speelgoedwinkel leegkopen. Koop verder nog een paar duurzame cadeautjes, en dan is het daarna weer een tijdje klaar.”

Zie Trouw

Robots en Karl Marx (Publiek Denken)

Robotisering, digitalisering, flexibilisering, globalisering, duurzaamheid: de arbeidsmarkt van morgen is een speelbal van grote krachten en trends. Hoe ziet de toekomst van werk en beloning eruit en hoe krijgen we er meer grip op? Een klassieke denker als Karl Marx (1818-1883) kan ons aan een antwoord helpen. Het zal u misschien verrassen maar dat antwoord is niet: door het hele systeem omver te werpen. Beter is het een revolutie teweeg te brengen voordat hij uitbreekt.

Onlangs had Het Oogzieken­huis Rotterdam een wereldprimeur door als eerste een oogoperatie uit te voeren met behulp van een robot. Weer kunnen we een taak wegstrepen die machines – of mensen met machines – beter uitvoeren dan mensen. Wie filmpjes als de YouTube-hit Humans need not apply bekijkt (zie hieronder), krijgt de indruk dat geen enkele baan veilig is. Nog even en robots zijn de baas in onze fabrieken en magazijnen en zullen snel de chauffeur, de monteur en zelfs de chirurg vervangen. Ze babbelen tegenwoordig ook al met bewoners in bejaardentehuizen. Verder nemen (zelflerende) algoritmes allerlei administratieve taken over, waardoor ook de baan van de accountant, de advocaat en de belastinginspecteurs op de tocht staat. Schattingen van het World Economic Forum laten zien dat binnen tien jaar de meeste taken en werkzaamheden door robots kunnen worden gedaan. Een studie van Mckinsey voorspelt dat voor 2030 wereldwijd 800 miljoen mensen hierdoor hun baan zullen verliezen.

Zullen er nieuwe banen voor hen zijn? En wie bezit eigenlijk die robots en, dus, de vruchten van hun productiviteit? Daarbij breekt de digitalisering – denk aan de platformeconomie, de gig economy – een groot deel van de oude economie af. Digitale platforms produceren zelf niets, maar brengen vraag en aanbod slim bij elkaar, waardoor traditionele partijen, zoals banken, kranten, tv-zenders of taxibedrijven het nakijken hebben. Ze brengen ook een leger aan freelancers en flexwerkers op de been, waarmee ons sociale zekerheidssysteem zich geen raad weet.

Dit alles speelt zich af tegen de achtergrond van een sterke maatschappelijke tweedeling, zeker op de arbeidsmarkt, tussen hoog- en laagopgeleiden, insiders en outsiders, vast en flex, tussen CEO en de werkvloer en, nog steeds, tussen man en vrouw en allochtoon en autochtoon. De inkomensongelijkheid lijkt zelfs te groeien. De werkloosheid is nu nog laag, er zijn zelfs veel vacatures, maar de onderhandelingspositie van arbeid is door de flexibilisering zo uitgehold dat ook nu de lonen niet stijgen.

Hoe krijgen we weer grip op deze ontwikkelingen zodat de tweedeling niet toeneemt? Zijn robotisering en digitalisering eigenlijk wel te sturen? Wie de discussie volgt, raakt al snel de draad kwijt door het jargon, de eindeloze stroom aan cijfers en vaak tegengestelde voorspellingen en adviezen. Er zijn ook zoveel organisaties, experts, journalisten en politici die in eindeloze debatten, congressen en TED-talks van alles en nog wat vinden en voorspellen. Je weet niet waar je moet beginnen en bij wie je moet zijn. Je ziet door de bomen het bos niet meer en je struikelt over de boswachters.

Teruggrijpen naar Marx
Soms is het goed om een grote stap terug te doen en er een klassieke bron op na te slaan. Zoals de Duitse denker en grondlegger van de arbeidersbeweging Karl Marx (1818-1883). Marx beschreef hoe elke maatschappij – of het nu om jagers en verzamelaars gaat, boeren, de feodale samenleving en de verschillende stadia van kapitalisme die we de afgelopen twee eeuwen hebben doorlopen – is gegrondvest op een economische ‘onderbouw’, waarop een politieke, culturele ‘bovenbouw’ staat. In de onderbouw bevinden zich de productiekrachten (zoals spierkracht, energie, gereedschap, machines etcetera) en de productieverhoudingen (eigendoms- en machtsrelaties). Kort samengevat: wie maakt wat? En wie krijgt wat?

De bovenbouw bestaat uit wet- en regelgeving, denkbeelden, normen en waarden, religie, enzovoorts, die bij deze onderbouw past. Hoewel Marx en zijn partner in crime, Friedrich Engels een duidelijke wisselwerking zagen tussen onder- en bovenbouw, was duidelijk dat de onderbouw, de materiële basis, de bovenbouw bepaalde, die op zijn beurt vooral diende om de onderbouw te faciliteren en te legitimeren. Zo zou het liberale systeem bestaande eigendomsverhoudingen beschermen, en zo zou religie (‘opium van het volk’) de mensen in de meest precaire posities zoet houden met de hoop op het hiernamaals.

De geschiedenis zou worden voortgedreven door veranderingen in de onderbouw en dan met name de productiekrachten – ‘historisch-materialisme’ noemden Marx en Engels dat. ‘De handmolen levert een maatschappij met een feodale heer op; de stoommolen een maatschappij met de industriële kapitalist’, is een gevleugelde uitspraak. Verander de productiekracht en uiteindelijk verandert de hele samenleving mee.

Marx was – dat weten veel mensen niet – lovend over de productieve krachten van het kapitalisme van zijn tijd. Hij keek met ontzag naar technologische ontwikkeling, naar de wetenschap en de communicatiemogelijkheden, die een beter leven voor iedereen zouden kunnen betekenen. Maar hij dacht dat het systeem op springen stond omdat de (in zijn ogen) belangrijkste productiekracht, de arbeider, die uiteindelijk ook de machines voor industrie maakt, er bekaaid vanaf kwam in de productieverhoudingen. De kapitalist zou er met de buit vandoor gaan omdat hij uiteindelijk de machines bezat en arbeid kon inhuren tegen kostprijs. De bovenbouw zou deze ‘contradictie van het kapitalisme’ kunstmatig in stand houden, maar niet voor lang. De arbeiders (het ‘proletariaat’) zou op een gegeven moment de macht grijpen en het kapitalisme vervangen door een klassenloze samenleving met bijbehorende bovenbouw zonder privaat eigendom. 1

Permanente verbouwing
Heeft Marx gelijk gekregen? Het antwoord is: ja en nee. Ja, want de vruchten van de immense productiviteitsstijging, vooral in de afgelopen decennia, is terechtgekomen bij een kleine groep haves. Wereldwijd hebben de rijkste 0,1 procent de afgelopen decennia zich net zo’n groot deel van de welvaartsstijging toegeëigend als de armste 50 procent. Zoals Marx voorspelde, hebben de grote bedrijven het voor het zeggen. Ze hebben de macht en de middelen om landen tegen elkaar uit te spelen en de belasting te ontwijken. Ze struinen de wereld af op zoek naar grondstoffen en goedkope arbeid, waardoor de lonen laag blijven. De mens als productieve kracht komt er in ieder geval bekaaid van af. De Franse econoom Thomas Piketty maakte furore met zijn boek Kapitaal, waarin hij laat zien hoe het rendement op kapitaal structureel hoger is dan de economische groei. In Nederland stegen de bedrijfswinsten het afgelopen jaar in ieder geval met ruim 10 procent, terwijl de reële lonen daalden, aldus het CBS.

Tegelijkertijd is de revolutie vooralsnog uitgebleven. We hebben er een bovenbouw bij bedacht – een waaier aan rechten, uitkeringen en subsidies, het onderwijs – sowieso de gehele publieke sector – die onze samenleving bij elkaar houdt. Eigenlijk doen we niets anders dan de bovenbouw herinrichten. Het publieke debat, in de kranten, op tv en online, de politieke besluitvorming; we zijn constant met de verbouwing bezig.

De onderliggende vraag die steeds beantwoord moet worden is hoe we machtsrelaties zo kunnen omvormen dat ze recht doen aan de onderliggende productiefactoren, en daarmee ook die productiefactoren stabiel houdt. De beloning voor arbeid, zeker aan de onderkant, is nu te laag en de werkende klasse – het feit dát we nog steeds van een ‘klasse’ spreken zegt veel – verzet zich steeds heftiger in demonstraties en via ‘tegen’-stemmen in verkiezingen. De oneerlijke verdeling zit niet alleen in geld, maar vooral ook in sociaal en cultureel ‘kapitaal’. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) hamert er keer op keer op dat Nederland uiteen dreigt te vallen in een groep hoogopgeleide winnaars, die geld, kennis en contacten hebben, en zich steeds vaker terugtrekt in de eigen gelederen, en een vaak lageropgeleide groep die veel minder kansen heeft, onzeker en gefrustreerd is, en geen vertrouwen heeft in de politiek. Daarmee dreigen we een hele grote groep onmisbare vakmensen te verliezen omdat zij niet het idee hebben dat het ook hún bovenbouw is. Dit probleem vereist een radicalere herverdeling: niet alleen op de arbeidsmarkt, maar ook op de woningmarkt en in het onderwijs – misschien moet de vrije schoolkeuze zelfs ter discussie worden gesteld om deze culturele tweedeling te stoppen. Verder moeten traditionele(re) beroepen en vakmensen veel meer erkenning en waardering krijgen dan nu.

De bovenbouw is ook nog niet goed ingericht om de steeds grotere groep flexwerkers en (schijn)zelfstandigen te huizen. Volgens het CBS komen zelfstandigen meer dan vijf keer zo vaak onder de armoedegrens dan werkenden in loondienst: 11 versus 2 procent. Een van de redenen is dat de koppeling tussen sociale zekerheid en het hebben van een (vast) arbeidscontract vandaag de dag nog veel te sterk is. De welvaartsstaat leunt nog op het oude, vaste contract, wat betreft toegang tot ontslagbescherming, verzekeringen, pensioen, enzovoorts. Slechts een op de vijf zelfstandigen is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.

We hebben hier in Nederland al onze handen vol aan, maar tegelijkertijd is de wereldwijde bovenbouw ook in beweging. Het ethische bewustzijn groeit, de internationale samenwerking wordt hechter, nieuwe regels over eerlijke handel en beloningen, maar ook over het milieu (ook wel de ‘tweede contradictie van het kapitalisme’ genoemd) zijn in de maak.

Al met al is het mogelijk om het (geglobaliseerde) kapitalisme in bedwang te houden, om de enorme productiekrachten – waar wij zelf deel van uitmaken – te erkennen en in te bedden in een, stabiele, rechtvaardige samenleving. Het vereist een continue inspanning, maar het kan.

Nieuwe productiekrachten
Maar intussen staat de onderbouw niet stil. De robot, kunstmatige intelligentie en big data zijn de nieuwe productiekrachten die het huis opnieuw doen kraken in zijn voegen. Op zich bieden deze krachten volop kansen: robots en algoritmen kunnen het werk overnemen dat wij niet hoeven (of willen) doen. Daarbij zijn deze krachten het productiefst waar ze mensenwerk aanvullen en makkelijker maken. Veel studies laten zien dat robotisering en digitalisering tot grotere productiviteit, economische groei en veel nieuwe banen zullen leiden.

Maar de inhoud van ons werk gaat wel op alle niveaus veranderen. Handmatig werk zal op termijn helemaal overgenomen worden door robots. De dienstensector zal steeds meer zelflerende algoritmen inzetten. De zorg-, mobiliteit- en energiesector zullen drastisch veranderen door artificiële intelligentie en de nieuwe spelers die op de markt komen. Ook de banken – een interessante sector voor de critici van het kapitalisme – zouden met de opkomst van nieuwe online platformen, apps en blockchain, misschien wel worden weggevaagd. ING-topman Ralph Hamers sprak al eens van een ‘revolutie’ toen hij, in reactie op nieuwe digitale dienstverleners, reorganisatieplannen aankondigde.

Het goede nieuws is wel dat de meeste onderzoeken, zoals die van McKinsey en Boston Consulting Group, voorspellen dat de veranderingen de nodige tijd zullen vergen. Vooral het inzetten van robots op de werkvloer is vaak veel lastiger dan we denken. Gedacht wordt dat door alle economische, organisatorische en culturele barrières, de transitie een kwestie is van decennia, en niet van jaren. Dat zou betekenen dat we de tijd hebben om te reflecteren op de productierelaties – tussen robot of algoritme en de mens, tussen robotproducent, roboteigenaar en robotlozen, etcetera – en om de bovenbouw erbij te dromen die we nodig hebben om uiteindelijk de samenleving vooruit te helpen, om te zorgen dat de productiviteitswinst eerlijk(er) verdeeld wordt, dat nieuwe spelers niet te machtig worden en al het kapitaal, de robots en de data zich niet bij hen ophopen. We hebben ook de tijd om ervoor te zorgen dat zinvol werk overblijft of ontstaat, dat iedereen nieuwe vaardigheden kan aanleren, maar ook dat de sociale zekerheid wordt heringericht om iedereen die buiten de boot valt op te vangen. We hebben de tijd om te voorkomen dat we wéér een nieuwe klasse van outsiders creëren – proletariërs zullen we ze maar niet noemen – die op zichzelf is aangewezen.

Hoe gaat die bovenbouw eruit zien? Niemand kan dit voorspellen, maar er zijn wel scenario’s denkbaar. In ieder geval gaat het onderwijs op de schop: niet alleen zullen mensen liefst op jonge leeftijd moeten leren programmeren, het moet ook normaal zijn om op latere leeftijd onderwijs te volgen om te kunnen inspelen op de veranderende economie. Wat ‘normaal’ is, bepalen we in de bovenbouw. Mocht het zo zijn dat robots en algoritmes het gros van de productie op zich nemen en slechts door een handjevol mensen gecontroleerd hoeven te worden, dan moeten alle andere mensen aanspraak kunnen maken op die productie, zonder mee te produceren: een basisinkomen. Veel mensen kunnen zich dan ook gaan toeleggen op vrijwilligerswerk, openbaar bestuur, mantelzorg, kunst en ambachten: het hele idee van ‘werk’ gaat dan op de schop. Wat ‘werk’ betekent, bepalen we wederom in de bovenbouw. Misschien – maar daar zijn de meeste economen tegen – moeten we toch ook denken aan een robottaks om tijd en middelen vrij te maken om dit soort ingrepen voor elkaar te krijgen. Misschien moeten we oude ideeën van stal halen over collectieve zeggenschap over robotbedrijven en digitale reuzen.

Dit soort ideeën krijgen langzamerhand vorm en bereiken tegenwoordig de hoogste gremia in onze samenleving. In de De robot de baas, een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 2015, wordt al door tal van technologiedeskundigen, economen en andere wetenschappers bedacht hoe de robot in ons midden op te nemen. De WRR sprak van een ‘inclusieve robotagenda’ die de complementariteit van mens en machine bevordert en met ‘een repertoire van verschillende beleidsinstrumenten’ zorgt dat de tweedeling niet verder toeneemt. De nieuwe bovenbouw staat in de steigers.

Tot slot
We weten nog niet hoe we Marx’ uitspraak kunnen herformuleren: ‘de stoommachine geeft ons de industriële kapitalist, de robot en artificiële intelligentie leveren ons …?’ Ja, wat eigenlijk? In ieder geval leren we van Marx dat we zélf bepalen hoe we de productiekrachten, inclusief onze eigen arbeid, mogen inzetten en welke regels, rechten en ideeën we nodig hebben om een welvarende samenleving te maken. De productiekrachten hebben hun eigen logica waar we op in moeten spelen, maar wij hebben het laatste woord.

  1. De fijnproever kan Marx zelf erop naslaan. De primaire tekst van het ‘historisch materialisme’ is Die Deutsche Ideologie (1846), latere teksten zijn Zur Kritik der Politischen Ökonomie (1859) of de inleiding van de Grundrisse (1857/58), waarin al veel van zijn ideeën voor Das Kapital (1867) in zitten. Alle werken van Marx zijn overigens ook vertaald in het Engels. Een aanrader is het werk van de econoom en SP-senator Geert Reuten, misschien wel dé Nederlandse Marx-kenner, recent nog De kleine Marx (2017) een samenvatting van Das Kapital met een toepassing op het huidige kapitalisme.

Verschenen in Publiek Denken

De populistische verleiding (ESB)

Met het nog steeds nadreunende Brexit-referendum, de aanhoudende chaos na de verkiezing van Donald Trump en de opkomst van extreme(re) partijen in Europa, krijgt populisme veel aandacht in de publieke discussie. Wat is populisme, waar komt het vandaan, en is het in te dammen? Het nieuwe boek van Barry Eichengreen, The Populist Temptation: Economic Grievance and Political Reaction in the Modern Era, legt een economisch-historische bodem onder die discussie.

Eichengreen, hoogleraar aan de Universiteit van Californië (Berkeley), kennen we van eerdere boeken als Golden Fetters (1996), The European Economy since 1945 (2009) en Hall of Mirrors (2015). In The Populist Temptation borduurt Eichengreen voort op ideeën uit deze boeken, met dien verstande dat hij nu, naar eigen zeggen, met een “fundamenteel politiek” en “historisch” betoog komt.

De stelling die centraal staat in The Populist Temptation is simpel: hoe meer de elite tegemoet komt aan de frustraties van gemarginaliseerde groepen, hoe ongevaarlijker het populisme is. Zo kan het populisme nuttige hervormingen forceren, al blijft het spelen met vuur. Dit illustreert hij aan de hand van een reis door de moderne geschiedenis van met name Amerika, Groot-Brittannië en Duitsland, waarbij allerlei bewegingen en kleurrijke figuren de revue passeren. Steeds gaat Eichengreen op zoek naar de economische pijn, meestal onzekerheid en ongelijkheid, en de (beleids)respons van de politici en bestuurders van dienst – de vermaledijde elite.

Voorbeelden die Eichengreen gebruikt zijn de opkomst van het populisme onder boeren in het midwesten van Amerika eind negentiende eeuw, de populistische beweging die volgde op de Grote Depressie in 1930 en de Luddisten en andere groepen wevers die zich begin negentiende eeuw in Europa tegen industriële innovatie keerden. In alle gevallen werd een deel van de ideeën die voortkwamen uit de populistische stroming, zoals meer herverdeling en een minimumloon, overgenomen door de heersende partij. Ook de meer nationalistische ideeën, zoals protectionisme, werden deels overgenomen. Deze laatste ideeën pakten economisch gezien niet altijd goed uit, maar het populisme bracht gezien de eerstgenoemde voorbeelden dus ook veel goeds.

Gezien het populistische rumoer voor de Tweede Wereldoorlog, is het opvallend hoe kalm het in de periode erna is gebleven. Eichengreen ‘wijt’ dit aan de economische groei tussen 1950–1973, in combinatie met de opkomende welvaartstaten – een thema dat hij in The European Economy since 1945 al uitgebreid uitwerkte. Na de oliecrisis van 1973 verandert deze situatie: niet alleen halveert de groei, ook de impact die de globalisering en automatisering op laaggeschoolde arbeid heeft wordt onderschat. Het aandeel van de maakindustrie in Amerika tuimelt tussen 1970 en 2012 van 26 naar 10 procent. De onzekerheid en de tweedeling nemen toe en immigratie wordt een steeds groter thema. Zo wordt de lange weg die uitmondt in de Brexit en Trump ingezet.

Een adequate beleidsreactie op deze problemen blijft vooralsnog uit, sterker nog: zowel het Amerikaanse politieke systeem als de Europese Unie verergeren de situatie. In Amerika kan een populist door het winner-takes-it-all-kiesproces van het Electoral College-systeem president worden en veel macht verkrijgen – ook wat betreft het benoemen van rechters en centrale bankiers. De EU is volgens Eichengreen veel te elitair en Europese integratie wordt teveel top down opgelegd. En hoewel er redenen zijn om veel zaken centraal te regelen – toezicht op banken, het handhaven van één gezamenlijke buitengrens juist om immigratie goed te regelen – ziet Eichengreen eigenlijk geen reden om landen de Economisch Monetaire Unie op te dringen.

De uiteindelijke adviezen waar Eichengreen mee komt stellen iets teleur. In feite pleit hij voor inclusieve economische groei, door investeringen in onderwijs (inclusief ‘soft skills’ als empathie, om de robots voor te blijven), maar ook door het snijden in ‘excessieve’ regels en door het investeringsklimaat te verbeteren – wat hij verder niet uitlegt en waarmee hij zich erg ‘Amerikaans’ opstelt. Qua politieke hervorming in Europa hikt Eichengreen op twee gedachten: enerzijds wil hij meer directe democratie, bijvoorbeeld door in de Europese Commissie direct te kiezen, anderzijds pleit hij voor getrapte verkiezingen (zoals in Nederland), om populisten niet al te snel tot de macht te laten doordringen. Dat is verwarrend.

Uiteindelijk is The Populist Tempation geen politiek boek: het gaat namelijk niet echt in op de werking en de macht van populisme, ook psychologisch en cultureel – wat de populistische ‘verleiding’ nu echt is, wordt daardoor niet duidelijk. De materiële en institutionele voorwaarden voor populisme, en hoe deze zich in verschillen landen in verschillende tijden hebben gemanifesteerd, schetst Eichengreen echter voortreffelijk. Dat maakt hem een belangrijke stem in het debat. Een die we vaker aan het woord zouden moeten laten.

Zie ook ESB.nu

Wie waken er over onze vrijheid: alfa’s of bèta’s? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

Minder geld voor de geesteswetenschappen tast de vrijheid aan, klonk het uit de alfa-hoek. Het filosofisch elftal vraagt zich af of dat klopt.

Alexandra van Ditmars5 september 2019

De protestgroep WOinActie organiseerde maandag een alternatieve opening van het academisch jaar. Universiteiten worden inadequaat gefinancierd, vindt de groep. Het grootste pijnpunt: het voorgenomen kabinetsbesluit om geld over te hevelen van sociale en geesteswetenschappen naar bèta en techniek. Remco Breuker, hoogleraar Korea-studies aan de Universiteit Leiden en een van de boegbeelden van de protestgroep, liet zich dit weekend in Trouw uit over het belang van alfastudies. Als dit voorgenomen besluit doorgaat, zei hij, komen de raderen van de maatschappij tot stilstand. Breuker: “Minder vrijheid is dan een gegeven. Je hebt alfa’s nodig voor identiteitsvorming, het kennen van de geschiedenis en gezonde journalistiek.” Gaat korten op de geesteswetenschappen inderdaad hand in hand met minder vrijheid?

“Ja, absoluut”, zegt Paul Teule, filosoof en econoom, docent aan de Universiteit van Amsterdam. “Vrijheid zie ik als ruimte creëren door zaken te bevragen. De geesteswetenschappen zorgen ervoor dat je kritisch en met verwondering naar mens, maatschappij en wereld kijkt. Alles wat de menselijke geest produceert, wordt bestudeerd en van verschillende kanten bekeken – betekenissen die we aan zaken geven, hoe iemands identiteit wordt gevormd, welke patronen we in de geschiedenis terugzien. Studenten verkrijgen zo een groot kritisch denkvermogen. De geesteswetenschappen leveren daarmee de motor voor relativering. Ze laten inzien dat ons denken niet altijd direct de werkelijkheid weerspiegelt, maar dat die gedachten moeten worden bevraagd. Daardoor ontstaat een openheid, een vrijheid, om met elkaar over denkbeelden in gesprek te blijven. Hoe minder geesteswetenschappers, hoe minder mensen die deze ruimte creëren.”

Democratie valt niet om

“Dat lijkt me overdreven”, zegt Bas Haring, filosoof en bijzonder hoogleraar publiek begrip van de wetenschap aan de Universiteit Leiden. “Als we nu zouden stoppen met de geesteswetenschappen, valt de democratie heus niet om. Filosofie zorgt er inderdaad voor dat concepten kritisch bevraagd worden. Maar dat geldt niet voor alle geesteswetenschappen, zoals archeologie of Oud-Perzisch. Die kunnen alsnog wel waardevol of tof zijn, maar met vrijheid heeft het weinig te maken.”

Teule: “Ook de plaats van de mens in de geschiedenis of terugkerende thema’s in literatuur, hebben te maken met betekenisgeving en identiteit, en zorgen zo voor reflectie en relativering. Filosoof Karl Popper schreef dat een moreel gezonde samenleving een ‘open samenleving’ is. Daarmee bedoelt hij niet een samenleving waarin alles maar kan of waarin geen waarheid bestaat, maar een samenleving waarin elk idee kan worden bevraagd door kritische individuen. En in dat bevragen zijn alfa’s opgeleid. Als daar geen ruimte voor bestaat, kan één narratief gaan overheersen. In het ergste geval betekent zo’n gesloten samenleving een totalitair regime. Maar het kan ook leiden tot denkfouten die gevaarlijk kunnen uitpakken. Denk bijvoorbeeld aan de ontwikkelingen rondom kunstmatige intelligentie. Als we nu niet met elkaar in gesprek blijven over de ethische kant daarvan, kunnen die ontwikkelingen straks onder één bepaald idee worden geschaard, waar niemand meer over nadenkt. Geesteswetenschappers weten dat mensen hun eigen intelligentie vaak overschatten, en kunnen op dit gevaar wijzen.”

Haring: “Dat kunnen ze inderdaad, en moeten ze dus ook doen. Geesteswetenschappers laten nu niet genoeg de waarde van hun vakgebied zien. Dat zie je terug in de bezuinigingen. Samenwerken met bèta-plekken waar wél geld is zou daarom heel verstandig zijn. Zo vragen informatici zich nu af: hoe moet je verhalen vertellen met alle nieuwe technieken die er zijn? Die vraag is geesteswetenschappelijk van aard en kan leiden tot mooie samenwerkingen. Omdat deze vraag nu relevant is, is het logisch dat daar meer geld voor beschikbaar is dan voor iemand die wil onderzoeken hoe identiteitsvorming in de zeventiende eeuw precies werkte.”

Ironisch

Teule: “Dergelijke samenwerkingen zijn inderdaad een goed idee. En dat laat zien hoe ironisch het is om geld van alfa naar bèta over te hevelen: juist bij grote technische ontwikkelingen zijn alfa’s nodig. Om na te denken over het belang van privacy, medische ethiek of hoe techniek kan bijdragen aan een waardevol leven, om maar wat te noemen. Maar nu wordt bezuinigd op de alfa’s, omdat de bèta’s meer geld nodig hebben. Alfa en bèta worden daarbij onterecht lijnrecht tegenover elkaar gezet. Terwijl bèta’s bij ontwikkelingen uitdenken juist alfa’s nodig hebben en alfa’s hun expertise tastbaar kunnen maken dankzij bèta-toepassingen.”

Haring: “Op die bèta-plekken is wel geld beschikbaar voor alfa’s, dus daar ligt het probleem niet. En ook met bezuinigen worden er nog steeds geesteswetenschappers opgeleid.”

Teule: “Maar bezuinigingen zullen leiden tot beperkter onderwijs – en daarmee tot minder breed ontwikkelde geesteswetenschappers. Ik vrees dat deze bezuinigingen komen doordat geesteswetenschappers zich te ver hebben verwijderd van de maatschappij. Het lijkt mij een goed idee als een deel van deze groep ophoudt met artikelen publiceren in ontoegankelijke wetenschappelijke tijdschriften en probeert de Tweede Kamer in te komen.”

Haring: “Dat moeten ze alleen doen als ze dat zelf graag willen, niet omdat ze de geesteswetenschappen moeten redden. Het is wel belangrijk dat alfa’s beter worden in het framen van hun eigen werk. Ze krijgen het verwijt dat hun wetenschappen niet nuttig genoeg zijn. Terwijl bètawetenschappen dat vaak ook niet zijn. Denk aan paleontologie of sterrenkunde. Daar komen weinig concrete toepassingen uit. Maar een opgezette T-Rex in Naturalis of een pas ontdekte ster vindt het publiek toch heel gaaf. Op eenzelfde manier kan het interessant zijn om te zien dat de Oude Grieken in hun tragedies management-adviezen gaven die toepasbaar zijn op wat nu gaande is op de Zuidas of in Silicon Valley. Maar dan moet je dat wel weten over te brengen op een groter publiek. Daar valt nog veel te winnen.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf.

Hoe sociaal is het leenstelsel? De theorie blijkt anders dan de praktijk (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

Het leenstelsel voor studenten staat onder druk. Op papier is het eerlijker,  maar wat als het in de praktijk niet zo werkt? Alexandra van Ditmars

Het leenstelsel voor studenten is asociaal, stelde GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil afgelopen weekend in deze krant. GroenLinks maakte het in 2015 mogelijk dat de basisbeurs voor studenten werd afgeschaft en ingeruild voor het studievoorschot, zoals het huidige stelsel officieel heet. Studenten krijgen niet langer een maandelijkse bijdrage van de overheid, maar moeten geld lenen. Dit systeem is niet langer houdbaar, vindt Özdil. De beloofde investeringen in het onderwijs blijven uit, zegt hij. Bovendien wil het kabinet de rente op de leningen komend jaar weer verhogen. Het gevolg, aldus Özdil: minder mbo’ers stromen door naar het hbo, waardoor de tweedeling in de samenleving wordt aangewakkerd. Studenten protesteren komende dinsdag in Amsterdam tegen deze renteverhoging. Partijleider Jesse Klaver stuurde maandag een mail naar GroenLinks-leden om te zeggen dat zijn partij niet langer achter het leenstelsel staat. Is het leenstelsel inderdaad asociaal?

“In theorie is het leenstelsel niet asociaal, maar in de praktijk blijkt het dat wel te zijn”, zegt Paul Teule, filosoof en econoom, docent aan de Universiteit van Amsterdam. “Beleidsmakers wijzen erop dat het stelsel op papier klopt. Dat is ook zo, maar het gaat hier niet over papier. Het gaat over mensen. Preciezer gezegd: om studenten, die nu een ontzettend hoge psychologische druk ervaren om te presteren, terwijl de rekenmachine in hun achterhoofd maar doorratelt. Als je er theoretisch naar kijkt, is het inderdaad socialer als rijkeluiskinderen geen beurs krijgen. En voor minder rijke kinderen is er nu alsnog een aanvullende beurs. Maar minder rijke kinderen komen vaker uit gezinnen waarin het niet de standaard is om te gaan studeren. De stap om te gaan studeren is dan al groot, en blijkt nu zonder basisbeurs al snel te groot: de doorstroom stokt. Voor alle studenten geldt dat investeren in je opleiding zich uiteindelijk terugbetaalt, je wordt meer waard op de arbeidsmarkt. Maar je kunt niet van individuen verwachten dat ze dat rationeel kunnen overzien. Dan moet een 18-jarige zijn nettowaarde in de toekomst kunnen berekenen, om die vervolgens terug te redeneren. Zo werken mensen gewoon niet. Daar dient het beleid rekening mee te houden.”

“Dit is niet alleen een economische, maar ook een principiële kwestie”, reageert politiek filosoof Ivana Ivkovic. “Ik vind het leenstelsel niet per se asociaal, eerder sociaal onrechtvaardig. Het gaat hier niet alleen om de vraag: hoe financieren we dit als maatschappij? Maar ook om: hoe zorg je als samenleving dat je burgers bepaalde mogelijkheden biedt? In principe kan iedereen nu gaan studeren. Maar iedereen blijft ook zitten met een schuld. Daar wordt nu heel makkelijk over gedaan: ‘Dat betaal je wel weer af, je hebt straks een goed diploma’. Maar als iemand geen vangnet heeft en wel een dikke schuld, pin je iemand vast op een positie. Je voelt je baan bijvoorbeeld als een verplichting, en voelt niet de ruimte om iets anders te gaan doen. Je maakt iemand daarmee kwetsbaar en beperkt zijn handelingsvrijheid. Dat lijkt me niet het doel van onderwijs.”

Teule: “Sterker nog, het onderwijs ondergraaft hier zijn eigen doel. Aristoteles wees er al op dat het belangrijk is om doel en middel duidelijk van elkaar te onderscheiden. Dat gaat hier mis. Ik zie bij veel economie- en geneeskundestudenten dat de salarisoverweging een grote rol heeft gespeeld bij hun studiekeuze. Geen wonder, als je je schuld elke maand ziet oplopen. Maar een studie behoor je niet te doen vanwege een hoog salaris, de inhoud van je studie moet het waardevolle doel zijn. Geld is slechts een middel, dat je volgens Aristoteles moet inzetten om het ultieme doel te bereiken: een goed leven leiden. Ik gun het iedereen om te bedenken: wat vind ik werkelijk waardevol? En dan daarvoor vier jaar te kunnen gaan, met een basisbeurs en zonder enorme druk. Studeren moet vrij kunnen zijn, met ruimte voor mensen om zich te oriënteren en fouten te maken. Het is prima om te zorgen dat studenten een beetje doorwerken, bijvoorbeeld door een bindend studieadvies. Maar ze hebben allemaal het recht op ontplooiing.”

Ivkovic: “Tegenstanders van de basisbeurs zeggen dat als je een studiesysteem ontwikkelt dat toegankelijk is voor iedereen, dat weer tot onrechtvaardigheid leidt aan de andere kant van de lijn. De slager betaalt dan mee aan de studie van de advocaat, is dan het idee. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Wie voor wat betaalt, regel je uiteindelijk met het belastingsysteem – en dat kunnen we aanpassen. Maar we moeten ook niet denken dat goedkoper studeren direct een gezonder studieklimaat oplevert. Toen ik als student uit Joegoslavië naar Nederland kwam om te gaan studeren, was ik onder de indruk van het studiestelsel dat hier destijds was. Ik ervoer veel ruimte om te ontdekken wat ik werkelijk wilde. In Joegoslavië was studeren gratis vanwege het socialisme. Maar er was een enorme prestatiedruk, puur vanuit onze cultuur. In Nederland waren cijfers ook wel belangrijk, maar individuele ontwikkeling telde minstens net zo veel. Die sociale normen zijn veranderd. Kennis wordt hier nu steeds meer als instrumenteel gezien. We pompen zo snel mogelijk zo veel mogelijk kennis in studenten, die ook goed moet aansluiten op de arbeidsmarkt. Die efficiënte houding zie je ook terug bij het leenstelsel. We moeten niet vergeten dat kennis niet enkel bedoeld is om nuttig te zijn. Het is ook verbonden met een zekere vrijheid. Al sinds de Verlichting draait kennis om het vergroten van autonomie voor iedereen, niet om het vergroten van het nut voor de samenleving. De uiteindelijke vraag bij de keuze voor een studiestelsel is dan ook: wat voor samenleving wil je creëren?

Zie Trouw

Maak van het bbp een échte, duurzame economische maatstaf (ESB)

Afbeeldingsresultaat voor ESB meten van welvaart

De kritiek op het meten van welvaart aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp) neemt toe. Alternatieve indicatoren of monitors zijn echter niet opgewassen tegen de institutionele kracht van het bbp. Het is verstandiger om het bbp zelf te verbeteren en aan te vullen.

De kritiek op het nationaal inkomen, oftewel het bruto binnenlands product (bbp), is zo oud als de statistiek zelf. De laatste tien, vijftien jaar klinkt de roep steeds luider om het bbp in de ban te doen, en hierover verschijnt er boek na boek (Coyle, 2014; Philipsen, 2015; Lepenies, 2016; Fioramonti, 2017; Pilling, 2018) en rapport na rapport (Stiglitz et al., 2009; Commissie Breed Welvaartsbegrip, 2016). De sociale, ecologische én economische bezwaren tegen het bbp zijn legio en er vallen vaak harde woorden, en niet door de minsten: Joseph Stiglitz noemde het bbp ooit een ‘fetisj’ en een ‘zwendel’; The Economist beschimpte het bbp met een artikel getiteld ‘Grossly Distorted Picture’.

Het is op zijn zachtst gezegd een paradox (Van den Bergh, 2009) dat we nog steeds zo krampachtig vasthouden aan het bbp als de economische en politieke graadmeter van maatschappelijk succes. Hoe het bbp precies doorwerkt in onze instituties, daar is weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan (behoudens studies als Schmelzer (2016), waarbij de rol van instituties als de OESO in onze hang naar economische groei wordt onderzocht), maar zeker is dát het bbp een hoofdrol speelt. Kijk naar het Nederlandse politieke landschap: het belangrijkste debat (de Algemene Beschouwingen) en de belangrijkste onderliggende politieke documenten (de Miljoenennota, de Macro Economische Verkenning, de partijprogramma’s) zijn volledig geënt op het bbp. Het bbp vormt ook het ijkpunt voor financiële bijdragen aan organisaties als de EU of de NAVO en het is de basis voor de beoordeling van overheidstekort en -schuld.

Nationale rekeningen

De ‘kracht’ van het bbp is beter te duiden wanneer we de geschiedenis van de nationale rekeningen in ogenschouw nemen. In de jaren dertig van de vorige eeuw publiceerde Simon Kuznets (1901–1985) in opdracht van het Amerikaanse Congres zijn National Income 1929–32, een 261 pagina’s tellend rapport over de Amerikaanse economie, boordevol gedetailleerde tabellen over de werkgelegenheid en de inkomens per sector. Het totale ‘nationale inkomen’, zo was Kuznets’ conclusie, nam tussen 1929 en 1932 een duikvlucht van tachtig miljard dollar in 1929 tot onder de vijftig miljard dollar. Kuznets was uitermate kritisch over de zeggingskracht van ‘het’ nationaal inkomen, omdat het niet zegt waarmee dit inkomen verdiend is en hoe het verdeeld is. Hij wilde criminele transacties, de reclame-industrie en veel financiële dienstverlening buiten beschouwing laten, maar ook veel overheidsactiviteit, omdat dit wat hem betreft niet direct aansloot bij de behoeften van de doorsneeburger. Maar het kwaad was al geschied: alles waarvoor betaald werd, zou mee gaan tellen. Dat was nu juist de eenvoud en de kracht van het nationaal inkomen.

Daar kwam bij dat de Britten, mede door John Maynard Keynes (1883–1946), het nationaal inkomen uitbouwden tot een elegant en overzichtelijk systeem. Keynes, die furore had gemaakt met zijn pamflet How to pay for the war (1940), kreeg het Britse ministerie van Financiën zover om Richard Stone (1913–1991) de Britse ‘nationale rekeningen’ te laten ontwikkelen, een boekhoudkundig systeem waarin productie, inkomen en bestedingen van een land in samenhang worden weergegeven. Het hart van de nationale rekeningen werd al gauw het bruto nationaal product (bnp), dat de gehele productie, en de daaraan verbonden inkomens en uitgaven, inclusief die van de overheid, in één getal samenvat. Dit getal ontleent zijn kracht juist ook aan het feit dat het zichzelf op drie manieren bevestigd ziet, via de productie, bestedingen en inkomensvorming. Het getal lijkt een waarachtige waarneming van ‘de economie’, omdat de drie methoden zich systematisch tot elkaar verhouden en naar elkaar verwijzen. Daardoor is het moeilijk om buiten het systeem om te denken.

Stone zou dit systeem later voor de Verenigde Naties (VN) uitwerken tot hét officiële Systeem van Nationale Rekeningen, de internationaal geaccepteerde standaard voor het meten van ‘de economie’, met het bnp, en uiteindelijk het bbp, dat makkelijker te berekenen is, als elegante en krachtige samenvatting van welvaart.

iStock.com/cyano66

Niet perfect

De nationale rekeningen zijn, met name voor overheden, een geweldig instrument om in beeld te krijgen wat er in de economie gebeurt: hoe geldstromen lopen, wie wat voor wie produceert, en hoeveel inkomsten en uitgaven de schatkist mag verwachten. Maar dat wil niet zeggen dat een hoger bbp, een toename van transacties en dus meer geproduceerde goederen en diensten, automatisch beter is. Je moet, zoals Kuznets al zei, kijken naar wat er precies groeit, en wie daar beter van wordt. En zeker in onze huidige, westerse economieën betekent bbp-groei niet automatisch een verbetering in welzijn. Tal van psychologische en sociale factoren, van gewenning, consumptie uit positionele overwegingen, keuzestress tot bijvoorbeeld ook – zoals antropoloog David Graeber het omschreef – het ‘psychologische geweld’ van ongeïnspireerd werk, zetten de link tussen welvaart en welzijn op losse schroeven (Graeber, 2018).

Hier komen natuurlijk nog de enorme externe effecten bij die onze economie sorteert, met name de schade aan het milieu, en de door fossiele brandstoffen veroorzaakte opwarming van de aarde – het ‘grootste marktfalen uit de geschiedenis’, zoals de Britse econoom Nicholas Stern het formuleerde. De Nederlandse economie stoot jaarlijks 200 megaton CO2 uit en zadelt het mondiale ecosysteem daarmee op met kolossale kosten, die, als we deze internationaal zouden verrekenen, het mondiale bbp ten onrechte zouden doen toenemen.

De voorstanders van het bbp zouden kunnen beweren dat het bovenstaande wellicht waar is, maar dat dit niet de schuld is van het bbp. Het bbp pretendeert toch ook niet een graadmeter te zijn voor ons welzijn of het milieu? Het meet toch ‘gewoon’ welvaart, de economie? Maar daar valt dus ook het nodige op af te dingen. Ten eerste tellen tal van goederen en diensten niet mee, enkel omdat er geen geld voor wordt betaald. Dan gaat het niet alleen om huishoudelijk of vrijwilligerswerk, maar ook om de digitale economie die veelal ‘gratis’ diensten produceert. Het bbp is hier niet op toegerust omdat het, in de woorden van Diane Coyle, “a measure of the economy best suited to an earlier era” is (Coyle, 2014).

Een topman van muziekstreamer Spotify stelde het nog scherper: “The goal of disruptive technology companies, in the statistical sense, is to reduce GDP.” Het bbp kan dus zelfs dalen doordat nieuwe, disruptieve bedrijven transacties uit de ‘oude’ economie overbodig maken (Pilling, 2018). Dit raakt aan een bekend probleem: de groei van het reële bbp, waar de inflatie dus van af is getrokken, is al een structurele onderschatting van de werkelijke groei, omdat prijsstijgingen door kwaliteitsverbeteringen voor inflatie worden aangezien. De prijs van een smartphone ten opzichte van het oude mobieltje is, gezien de sterk toegenomen functionaliteit, in feite sterk gedaald. Statistici kunnen hier (via zogenaamde ‘hedonic adjustments’) slechts in beperkte mate wat aan doen (zie ook Inklaar (2019) in dit dossier). Mede op basis hiervan concludeerde Martin Feldstein onlangs nog dat “the official measure of real GDP does not even achieve its stated goal of measuring real national output on its own terms” (Feldstein, 2017, p. 148; mijn cursivering). Het (reële) bbp meet dus niet eens wat het zou moeten meten.

Maar het sterkste economische argument tegen het bbp is dat het slechts de halve boekhouding van een land weergeeft: alleen het inkomen van het afgelopen jaar komt in beeld, niet de onderliggende balans van bezittingen en schulden. Die balans kun je, en dat is essentieel voor de duurzaamheid van onze economie, zien als het vermogen of de capaciteit om in de toekomst te produceren. Inkomsten die ten koste gaan van de mogelijkheid om in de toekomst opnieuw inkomen te genereren – door in te teren op onze spaartegoeden, schulden aan te gaan, of het ecosysteem uit te putten – zouden nooit voor ‘inkomen’ mogen doorgaan. De klassieke definitie van inkomen van John Hicks luidde niet voor niets: “the maximum value which he can consume during a week, and still expect to be as well-off at the end of the week as he was at the beginning” (Hicks, 1946, p. 172).

‘Het bbp geeft slechts de halve boekhouding van een land weer’

Het is dus ook absurd om het bbp, en niet ons (langdurend) vermogen om inkomen te genereren, als ‘de economie’ te beschouwen. We zouden de ‘BV Nederland’ dan ook niet alleen moeten waarderen al naargelang de stand, of de waarde, van onze machines en infrastructuur (economisch kapitaal), kennisniveau en vaardigheden (menselijk kapitaal) en onze netwerken en instituties (sociaal kapitaal), maar ook naargelang de waarde van de grondstoffen en het ecosysteem (natuurlijk kapitaal). De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) maakte zich in Naar een lerende economie: investeren in het verdienvermogen van Nederland al sterk voor deze gedachte. “Iedereen die een bedrijf waardeert zal behalve naar de exploitatie­rekening ook naar de balans kijken. Waarom zouden we bij een land dan wél genoegen nemen met alleen exploitatie­gegevens als het bbp?” (WRR, 2013).

Onontkoombaar

Het punt is echter dat we de officiële definitie van onze economie en het Systeem van Nationale Rekeningen zo hebben vastgezet in stroperige, langlopende cycli van vergaderingen op VN-niveau, dat we deze mammoettanker haast niet bij kunnen sturen. We zitten gevangen in het zeventig jaar oude bouwwerk van Stone waar ons idee van ‘de economie’ op gestut is.

Hier komt nog bij dat pogingen om iets aan de bbp-hegemonie te doen, de positie van het bbp alleen maar lijken te hebben versterkt. Dit gaat als volgt in zijn werk: meestal begint een initiatief, zoals de geruchtmakende door de Europese Commissie georganiseerde conferentie ‘Beyond GDP’ in 2007, of de topzware onderzoekscommissie onder leiding van Joseph Stiglitz in 2009, met een knappe, complete analyse van alle gebreken van het bbp, om vervolgens te concluderen dat het bbp dus moet worden aangevuld met andere indicatoren. Deze ‘dashboard-denkfout’, zoals ik hem maar even doop, gaat ervan uit dat het publiceren van meer data ‘naast’ het bbp zal leiden tot een meer evenwichtige balans. Maar hier zijn geen aanwijzingen voor. Geen politicus die zijn werkweek begint met staren naar een dashboard vol gegevens en besluit om te pleiten voor economische krimp omdat de CO2-uitstoot in het rood schiet. Sterker nog, de dashboard-gedachte zal juist leiden tot meer aandacht voor het bbp, omdat het bbp zelf intact blijft en alle kritiek naast zich neer kan leggen: daar zijn immers andere indicatoren voor.

‘Twee jaar na de commissie Grashoff gaat nog steeds alle aandacht uit naar het bbp’

Een mooi voorbeeld hiervan is de Nederlandse parlementaire commissie, onder leiding van GroenLinks-Kamerlid Rik Grashoff, die in 2015/2016 het bbp heeft onderzocht naar aanleiding van het eerder genoemde WRR-rapport. De commissie besloot al snel om het bbp ongemoeid te laten en aan te sluiten bij de ‘dashboard’-gedachte: er zou voortaan een Monitor Brede Welvaart moeten komen die alles wat het bbp niet meet, zoals CO2-uitstoot, overgewicht en schulden van huishoudens, in grote gekleurde waaiers tegelijk presenteert. Omdat tientallen indicatoren op een hoop worden gegooid, lijkt het alsof de CO2-uitstoot, de uitputting van fossiele reserves en verlies aan bio­diversiteit gecompenseerd kunnen worden door minder overgewicht, meer onderwijs of minder misdaad. Het verlies aan natuurlijk kapitaal kan, doordat het bbp (per capita) er ook bij staat, zelfs gecompenseerd worden door meer economische groei – dat is toch de wereld op zijn kop. In de laatste Monitor Brede Welvaart staat dan ook doodleuk dat de ‘brede welvaart’ in Nederland “in het algemeen omhooggaat”, terwijl de indicatoren voor natuurlijk kapitaal ver in het rood uitslaan.

Grashoff maakte ook nog de strategische fout om het moment van de presentatie van deze waaiers in mei te laten vallen, tijdens Verantwoordingsdag, in plaats van tijdens de Algemene Beschouwingen in september. Daarmee zegt Grashoff eigenlijk dat ‘de economie’ en ‘duurzaamheid’ twee verschillende domeinen zijn die we apart – in aparte documenten én op aparte momenten – evalueren. Het is, om bij de dashboard-beeldspraak te blijven, alsof je in een auto rijdt terwijl de helft van het dashboard, vol rode knipperende lampjes, thuis ligt. En dat terwijl natuurlijk kapitaal toch echt bij onze economie hoort – in toenemende mate zelfs, wanneer het schaarser wordt.

Maar het leek wel of de commissie ‘de economie’ als een onaantastbaar gegeven beschouwde. Niet alleen was de eerste conclusie van het rapport dat het bbp “een robuuste indicator is om de omvang van de economie te meten”, bij het debat over het rapport werd ook duidelijk dat de vraag of economische groei goed is, helemaal niet ter sprake was gekomen. Toen een NRC-journalist Grashoff hiermee confronteerde, zei hij doodleuk: “Ik ben geen econoom.”

Twee jaar na het Grashoff-rapport zitten we nog steeds opgescheept met de status quo. Op Prinsjesdag gaat alle aandacht uit naar het bbp. Met de ­jaarlijkse rijksbegroting, inclusief flankerende documenten (doorrekeningen, de Macro Economische Verkenning, de Miljoenennota), bevestigen we in Nederland telkenmale dat ‘het bbp’ en ‘de economie’ inwisselbaar zijn. Bij de plannen van het kabinet-Rutte III in 2017 zagen we enkel stroomvariabelen; de enige balanspost die vermeld werd was de overheidsschuld, ironisch genoeg als percentage van het bbp. Een échte, eerlijke doorrekening ontbreekt (Teule, 2017).

Weg vooruit

We zouden, letterlijk en figuurlijk, de balans moet opmaken wanneer het er echt toe doet. Je zou toch zeggen dat het een peulenschil is voor de regering om, samen met het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau, haar overheidsbeleid echt door te rekenen? Hoe moeilijk is het om een uitgebreide balans te publiceren, en relevante mutaties te bespreken. En waarom publiceren we niet een netto binnenlands product dat de grootste schadeposten, de afschrijvingen op economische én natuurlijk kapitaal, netjes verdisconteert. Het zou een eerlijke en logische productiemaatstaf zijn: alles wat verbruikt wordt in het economische proces, en enigszins kan worden gemeten in monetaire termen, wordt van het bbp afgetrokken. Tot op heden hebben dit soort initiatieven (zoals Green GDP, Environmentally Adjusted GDP of Environmentally adjusted multifactor productivity growth (OESO, 2016)) weinig succes gehad, omdat ze niet als mainstream-economie worden beschouwd. Wellicht kunnen we echt nieuwe stappen gaan zetten als we de mentale schotten tussen duurzaamheid en economie kunnen neerhalen, en alleen een duurzame economie een economie mag heten.

Literatuur

Bergh, J.C.J.M. van den (2009) The GDP paradox. Journal of Economic Psychology, 30(2), 117–135.

Commissie Breed welvaartsbegrip (2016) Welvaart in kaart. Eind­rapport Commissie Grashoff. Te vinden op www.tweedekamer.nl.

Coyle, D. (2014) GDP: a brief but affectionate history. Princeton: Princeton University Press.

Feldstein, M. (2017) Underestimating the real growth of GDP, ­personal income, and productivity. Journal of Economic Perspectives, 31(2), 145–164.

Fioramonti, L. (2017) The world after GDP: politics, business and society in the post growth era. Cambridge, VK: Polity.

Graeber, D. (2018) Bullshit jobs. New York: Simon & Schuster.

Hicks, J.R. (1946) Value and capital, 2e editie. Oxford: Clarendon Press.

Inklaar, R. (2019) Gratis digitale diensten maken het meten van ­welvaart moeilijk. ESB, 104(4773S), 35–39.

Lepenies, P. (2016) The power of a single number: a political history of GDP. New York: Columbia University Press.

OESO (2016) Greening productivity measurement: Environmentally adjusted multifactor productivity growth. Parijs: OESO.

Philipsen, D. (2015) The little big number: how GDP came to rule the world and what to do about it. Princeton: Princeton University Press.

Pilling, D. (2018) The growth delusion: the wealth and well-being of nations. Londen: Bloomsbury Publishing.

Schmelzer, M. (2016) The hegemony of growth: the OECD and the making of the economic growth paradigm. Cambridge, VK: Cambridge University Press.

Stiglitz, J.E., A. Sen en J.-P. Fitoussi (2009) Report by the Commission on the measurement of economic performance and social progress. Rapport te vinden op ec.europa.eu.

Teule, P.R. (2017) Rutte III en de gebrekkige boekhouding van de BV Nederland. TPE Digitaal, 11(3). Te vinden op www.tpedigitaal.nl.

WRR (2013) Naar een lerende economie: investeren in het verdienvermogen van Nederland. Amsterdam: Amsterdam University Press.