Alle berichten in de categorie “Uncategorized

Het onbewogen bbp: overwegingen bij een hardnekkig statistiekje (dNBg)

De afgelopen jaren verschijnt het ene na het andere boek dat de beperkingen van het bruto nationaal product in kaart brengt. Steeds wordt aangetoond dat het meten van de economie in één statistiek een veelvoud aan nadelen met zich meebrengt. En toch staat het bbp nog als een huis. Paul Teule duikt in de geschiedenis van het bbp en onderzoekt waarom het ‘statistiekje’, alle kritiek ten spijt, onaantastbaar lijkt.

Lees verder op De Nederlandse Boekengids

Robots nemen steeds meer taken van ons over. Wat betekent dat voor onze visie op werk? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

Enkele grote bedrijven met robots die straks al het werk doen en het geld verdienen. Wat betekent dat – niet ondenkbare – toekomstbeeld voor de functie van werk, geld en zingeving? Alexandra van Ditmars

Over zeven jaar voeren robots meer taken uit dan mensen, voorspelt het World Economic Forum. Ruim de helft van al het werk is volgens de non-profitorganisatie dan in handen van programmeerbare machines. Momenteel is dat zo’n 30 procent. Deze verwachte toename vraagt om een nieuwe benadering van de arbeidsmarkt. Hoe moeten we, met de opkomst van robots in ons achterhoofd, over werk gaan nadenken?

Marli Huijer, hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: “Dankzij robots hoeven mensen in de toekomst maar vier uur per dag te werken, fantaseerde filosoof Bertrand Russell in 1935. De rest van de dag konden we besteden aan lezen, luieren en amusement. Kunstschilders konden eindeloos schilderen, artsen zich enkel richten op het onderzoek dat ze willen doen.

“Deze positieve blik lijkt me wat naïef. Niet alleen omdat het gevaar bestaat dat mensen enkel passief plezier opzoeken – bijvoorbeeld dag in dag uit voor de televisie hangen – maar ook omdat het de vraag is hoe blij mensen van al die vrije tijd worden. Werk draait niet enkel om het verrichten van arbeid. Het geeft het leven ook betekenis. Werk zorgt voor regelmaat en sociale contacten. Dankzij onze banen leiden we gereguleerde levens en weten we dat er mensen op ons wachten. Dat helpt om ons leven als betekenisvol te ervaren.

“Misschien hebben wij in de toekomst vanwege robots inderdaad kortere werkdagen. Het is zaak deze niet-economische aspecten van werk dan niet uit het oog te verliezen. De overheid kan daarin faciliterend optreden door mensen te stimuleren actief en met ritme te doen wat zij de moeite waard van vinden. We hoeven door de opkomst van robots dus niet anders over werk te gaan denken. We moeten juist erop letten dat we werk niet reduceren tot iets puur economisch of praktisch.”

Waardering

“Werk zorgt er ook voor dat mensen zich nuttig voelen”, reageert Paul Teule, filosoof en econoom, docent aan de Universiteit van Amsterdam. “De discipline die nodig is om elke dag naar kantoor te gaan, ontleent ook kracht aan het feit dat je dit niet enkel voor jezelf doet. Ik denk dat het voor mensen belangrijk is dat ze die waardering voelen. Nu hebben we daar een vrij bot middel voor: we krijgen geld voor het werk dat we verrichten. Maar als robots steeds meer taken van ons overnemen, vraagt dat om een ander sociaaleconomisch systeem. Ons huidige systeem is gebaseerd op ruilhandel. We drukken in geld uit wat we iets waard vinden, om vervolgens zaken met elkaar uit te wisselen. Deze vorm vinden we heel vanzelfsprekend. 

“Maar in de geschiedenis hebben we allerlei vormen voorbij zien komen. De filosofie van Karl Marx laat zien dat hierbij twee vragen van belang zijn: wat gebruiken we om te produceren? En welke samenleving hoort daarbij? Lang geleden stonden gewassen en vee centraal in ons leven. De samenleving organiseerde zich om die agrarische technieken heen. Daarna lukte het om de landbouw te organiseren en ontstond het feodale stelsel, waarbij belofte en trouw centraal staan. Toen de stoommachine werd uitgevonden, vond de industriële revolutie plaats en veranderden alle bestaande verbanden weer. En nu komen de robots. Het is de vraag wat voor structuur deze nieuwe productiekrachten nodig hebben.”

Persoonlijk contact

Huijer: “Als er door robots minder werk voor mensen overblijft, zullen we het werk eerlijker moeten verdelen. Bijvoorbeeld door een drie- of vierdaagse werkweek in te voeren. Dat kan geleidelijk gebeuren, gelijk opgaand met de opkomst van robots. 

“Het lijkt me onwaarschijnlijk dat het werk van mensen ooit overbodig wordt. Persoonlijk contact is daarvoor veel te belangrijk, bijvoorbeeld in de zorg en het onderwijs. Hetzelfde geldt voor maatwerk – denk aan de restauratie van een oud pand. Robots kunnen enkel gestandaardiseerd werk verrichten. Daarmee zullen ze desondanks veel taken van ons overnemen. Dat kan ervoor zorgen dat ons onderwijs verandert: in opleidingen komt de nadruk dan te liggen op taken die robots niet kunnen uitvoeren.

“Door de robotisering zal er in ons werk dan juist meer aandacht zijn voor menselijkheid en creativiteit. Mij lijkt dat interessant, mits er ook aandacht is voor de ethiek. Want het gevaar van dehumanisering loert steeds om de hoek. Hoe voorkom je dat kinderen minder vaak bij hun oude moeder langsgaan nu zij een gezellige zorgrobot in huis heeft?

“Bij dergelijke risico’s moeten we nu al stilstaan. Dat kan door tijdens de ontwikkeling van robots vragen te stellen als: wat is het belang van mens tot menscontact in de zorg? Of: wat is specifiek aan menselijk vakmanschap? Door dat in kaart te brengen, kunnen we ervoor zorgen dat deze zaken niet verdwijnen door de robotisering én dat mensen nog beter worden in dat werk.”

Robotbedrijven

Teule: “Het blijft de vraag hoe de waardering voor deze banen zal worden uitgedrukt. Ik kan me voorstellen dat in de toekomst maar enkele grote robotbedrijven verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van onze producten. Onze huidige ruilhandel is dan niet langer interessant, omdat de boel te ongelijk verdeeld is. Die bedrijven hebben geen behoefte aan ons, wij wel aan hen. Wat ontvangen mensen dan voor hun werk?

“In de toekomst draait werk misschien niet langer om salaris, maar om het gebruiksrecht van allerlei zaken. Of verkrijgen we het recht op basisvoorzieningen ermee, zoals een huis en eten. De opkomst van robots kan er denk ik werkelijk voor zorgen dat wij niet langer geld krijgen voor ons werk. En dat we gaan nadenken over nieuwe mogelijkheden van waardering.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Lees hier meer afleveringen.

Is het erg dat dieren uitsterven? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

De internationale lijst met bedreigde diersoorten groeit. Steeds meer diersoorten verschuiven naar de categorie ‘ernstig bedreigd’ en ‘uitgestorven in het wild’. Moeten we dat betreuren?

Alexandra van Ditmars14 juni 2018, 16:08

Het is van veel diersoorten niet per se erg als ze uitsterven”, zegt Bas Haring, filosoof en bijzonder hoogleraar publiek begrip van de wetenschap aan de Universiteit Leiden. “Ik kan me wel voorstellen dat mensen het jammer vinden als bepaalde dieren verdwijnen, zoals tijgers. Dat zijn indrukwekkende en mooie dieren. En het uitsterven van sommige diersoorten leidt tot problemen. Zo wordt het bestuiven van fruitsoorten veel lastiger als de bij verdwijnt. Maar het uitsterven van veel organismen levert geen problemen op en leidt ook niet tot verdriet. Mijn vrouw is bioloog en onderzoekt vijgenwespen. Als die verdwijnen, vind ik dat niet erg. Sommige diersoorten vinden wij waardevol of hebben wij nodig, andere niet.”

“Het verdwijnen van diersoorten is wel degelijk een groot probleem”, reageert Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek aan de Universiteit Utrecht. “Zowel voor de diersoorten zelf als voor ons. Genoeg mensen willen dieren bekijken of simpelweg weten dat ze er zijn, omdat ze een verrijking zijn van onze leefwereld. Daarnaast hebben alle dieren en ecosystemen waarde op zichzelf. De mens neemt nu veel te veel ruimte in op de planeet. Dat roept een morele vraag op: is het een probleem dat wij als menselijke diersoort de leefruimte van andere diersoorten dusdanig inperken dat het onmogelijk voor ze wordt om te overleven? Ik vind van wel. Het is algemeen bekend dat het verdwijnen van diersoorten te wijten is aan ons gedrag: wij willen veel vlees eten, oceanen leegvissen, bossen kappen en elke vakantie in het vliegtuig stappen. Wij hebben het idee dat wij de heersers zijn van de planeet. Die visie is ontzettend antropocentrisch: wij bekijken alles enkel vanuit onze menselijke belangen. Terwijl het er niet alleen om gaat wat wij als mensen aan andere dieren hebben. Wij zijn niet het middelpunt van het bestaan, maar we gedragen ons wel zo.”

Haring: “Juist het denken in plant- en diersoorten is antropocentrisch. Wij verdelen de natuur in categorieën en denken vervolgens dat die er voor de natuur ook toe doen. Als een door ons bedachte categorie wegvalt, zou dat dramatisch zijn. Dat is onzin. Het belang dat wij hechten aan een soort is altijd het menselijk belang. Wij vinden de tijgersoort interessant. De tijgers zelf zijn echt niet met hun eigen soort bezig. Zij willen gewoon eten en seks. En natuurlijk denken we vanuit de mens. Ik zie niet voor me hoe we kunnen denken vanuit andere wezens.”

Robeyns: “We kunnen reflecteren op hoe de mens zich verhoudt tot andere diersoorten. Hoe zien wij onze positie als mens en is dat terecht? In mijn ogen vinden wij onszelf veel te belangrijk en denken we niet genoeg na over hoe die houding schade berokkent. Niet alleen aan de planeet en andere organismen, maar ook aan onszelf. Toekomstige generaties kunnen ons verwijten dat wij het zo ver hebben laten komen. Stel je voor: straks zijn er nog alleen dieren die nuttig voor ons zijn of die wij leuk vinden. De rest van de natuur hebben we dood laten gaan. Dat is toch een treurig beeld? Als we op deze voet doorgaan, zullen we dat beeld volgende generaties toch moeten uitleggen. Dan moeten we kunnen verantwoorden dat wij ons handelen niet hebben aangepast, ondanks het feit dat wij wisten dat verandering mogelijk was.”

Haring: “Wij kunnen niet voorspellen hoe mensen in de toekomst tegen zaken aankijken. Waarden veranderen continu, vaak op een manier die we niet zien aankomen. Dat neemt niet weg dat diersoorten die verdwijnen ons iets laten zien. Het is een symptoom van het feit dat ons handelen de aarde behoorlijk verandert. In een paar decennia tijd is het aantal mensen verdubbeld. Onze omvang heeft een enorme impact op de wereld. Uitstervende diersoorten geven het signaal af dat we wat zorgvuldiger moeten omgaan met de middelen die er zijn. En dat we moeten nadenken over voor welke soorten plaats is. Maar laten we niet in de kramp schieten en dit symptoom bestrijden. Dat is niet het werkelijke probleem.”

Robeyns: “Toch moeten we ook oppassen voor het probleemoplossend vermogen van de mens. Vaak denken we: door nog meer te interveniëren, lossen we de problemen die we veroorzaakt hebben wel weer op. Daarbij vergeten we om na te denken over of we onze verlangens misschien wat meer moeten inperken.”

Haring: “Dat neemt niet weg dat het van sommige diersoorten niet zo erg is als ze uitsterven. De wereld kan prima met wat minder wespensoorten toe. Ik vind in het bijzonder dat lijden zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Als het uitsterven van een plant- of diersoort geen lijden veroorzaakt – niet bij de organismen zelf en ook niet bij ons – dan is het niet erg als ze uitsterven.”

Robeyns: “Vergeet niet dat er ook nog andere visies zijn. Sommige filosofen vinden dat dieren rechten hebben. Vanuit een religieus perspectief maken diersoorten deel uit van de schepping en hebben ze om die reden al waarde. En in de niet-westerse filosofie wordt de mens vaak gezien als onderdeel van de natuur, in plaats van als heerser daarvan. Het uitsterven van diersoorten valt altijd terug te voeren op de mens die zich boven de natuur heeft geplaatst. Soms is dat goed – denk aan de uitvinding van medicijnen – maar er zijn ook grenzen. Over die grenzen praten we te weinig.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf: Ingrid Robeyns, Ivana Ivkovic, Bastiaan Rijpkema, Robin van den Akker, Paul van Tongeren, Frank Ankersmit, Désanne van Brederode, Paul Teule, Bas Haring, Gert-Jan van der Heiden en Marli Huijer. Eerdere afleveringen vindt u hier.

Zie Trouw

Literatuur voor economen -en vice versa? (dNBg)

De gedragseconoom Richard Thaler kreeg onlangs nog de Nobelprijs voor de economie omdat hij ‘menselijke’, oftewel irrationele elementen heeft weten te incorporeren in modellen. Daarmee is het theoretische, op rationele modellen gebaseerde kader nog steeds intact: we handelen misschien wel irrationeel, maar wel op systematische en voorspelbare wijze. En incentives (‘prikkels’) sturen nog steeds ons gedrag, al spreekt men nu van nudges (‘duwtjes’). Maar wat Gary Saul Morson en Morton Schapiro laten zien – via literaire werken die ons dit laten invoelen – is juist hoe volkomen onvoorspelbaar mensen zich gedragen; hoe ze breken uit de patronen waar we ze in persen.

Lees verder op dNBg

Wordt humanitaire interventie vaak ingegeven door eigenbelang? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Vandaag: zijn probleemgebieden het best geholpen met een humanitaire interventie? Of is overgaan tot een oorlog soms gerechtvaardigd?


Alexandra van Ditmars
14 december 2017, 15:30

‘Niet ingrijpen, dat is pas humaan’, stond zaterdag in deze krant boven een interview met politiek filosoof Bas van der Vossen. Hij spreekt daarin zijn twijfels uit over humanitaire interventie: een vorm van militaire actie die vrede, stabiliteit en democratie moet brengen in conflictgebieden, met het specifieke oogmerk om menselijk lijden te voorkomen.

“In ‘Debating Humanitarian Intervention: Should we Try to Save Strangers?’ betoogt Van der Vossen dat het vaak humanitairder is om niet in te grijpen. “Als je echt geeft om mensenlevens en om het verminderen van leed, verwoesting en dood, dan moet je namelijk ook zorgen dat je daar zelf niet aan bijdraagt”, zegt hij. Is niet ingrijpen inderdaad een goed idee?

Gevaarlijk

“Wie in nood is, moet je helpen, luidt het principe, en ernstig onrecht moet je proberen te voorkomen”, zegt Paul van Tongeren, emeritus hoogleraar filosofie in Nijmegen en Leuven. “Maar het domein van de politiek is volstrekt ongeschikt voor een principebenadering. Dat is zelfs gevaarlijk; hier moet het gaan om de gevolgen van een handeling. Van der Vossen laat aan de hand van onderzoek zien dat we met humanitaire interventies de brandhaard meestal alleen maar erger maken. Als de politiek verantwoordelijkheid neemt voor de gevolgen van het eigen handelen, valt er weinig te zeggen voor interventies.”

Paul Teule, econoom en filosoof, docent aan de Universiteit van Amsterdam: “Het is goed dat Van der Vossen ons confronteert met het feit dat door onze goede bedoelingen de situatie vaak enkel verslechtert. Hopelijk krabben we ons hierdoor tijdens de goedkeuring van een toekomstige interventie achter de oren en denken: zijn we nu weer met zoiets bezig?”

Van Tongeren: “Maar als je wat wantrouwiger kijkt naar zogenaamd humanitaire interventies, moet je op de eerste plaats zeggen dat er een heleboel andere motieven meespelen. Een interventie is meestal niet zo humanitair als die lijkt. In de polemologie, de wetenschap van oorlog en vrede, wordt algemeen aangenomen: als er een wapenarsenaal gebouwd wordt, is het een wetmatigheid dat die wapens ook een keer gebruikt moeten worden. Dat een regering bereid is tot humanitaire interventie zal daar vaak mee te maken hebben. Die acties staan daarnaast ook vaak in dienst van geopolitieke overwegingen. Een interventie lijkt dan humanitair, maar eigenlijk gaat het om het veiligstellen van de eigen invloed in het betreffende land.”

Teule: “Bij de Amerikaanse interventie in Irak in 2003 zag je dat duidelijk terug. Bij de Nederlandse steun speelde onze band met de Amerikanen een grote rol.”

Van Tongeren: “En nu is Syrië het voorbeeld bij uitstek. Eerst hebben de westerse landen geprobeerd daar de invloedssfeer veilig te stellen. Dat is mislukt. Nu probeert Poetin de Russische invloed in dat gebied te versterken.”

Libertarisme

Teule: “Toch is het gevaarlijk om daarom te besluiten dat humanitaire interventies altijd onzin zijn. Van der Vossen hoort bij de stroming libertarisme: een politieke filosofie waarin vrijheid, soevereiniteit en non-agressie centraal staan. Wat ik lastig vind aan libertariërs is dat ze zoeken naar gevallen waar goede intenties hebben geleid tot slechte uitkomsten, om vervolgens altijd te concluderen: het is beter om zaken over te laten aan de mensen zelf, het collectief moet zich er niet mee bemoeien. Daarmee wordt het ‘niks-doen’ gelegitimeerd.

“Ik kijk wat positiever naar vrijheid en denk dat om vrijheden te organiseren collectiviteit vaak nodig is. Inderdaad, veel interventies hebben averechts gewerkt. Maar er zijn redenen waarom die niet hebben gewerkt. Van der Vossen maakt niet de claim dat als we al die redenen identificeren en daar een volgende keer maximaal rekening mee houden, een interventie dan ook niet werkt. En de humanitaire nood in bijvoorbeeld Syrië is hoog. Inmenging valt daarom moreel zeker te rechtvaardigen. Het gesprek moet alleen gaan over ‘waar gaat het nu precies mis?’”

Rechtvaardige oorlog

Van Tongeren: “We moeten de ‘theorie van de rechtvaardige oorlog’ hier denk ik niet vergeten. Dat is een eeuwenoude traditie van denken die je al terugvindt bij de Romeinen, en die ook door hedendaagse denkers nog steeds wordt gebruikt. In die theorie wordt een aantal voorwaarden gegeven waaraan het overgaan tot oorlog moet voldoen om gerechtvaardigd te kunnen worden. Een die hierbij heel belangrijk is, is dat oorlog het ultimum remedium moet zijn: werkelijk de allerlaatste mogelijkheid. Zelfs bij Syrië lijkt me dat niet evident. Er is gebrek aan motivatie om op een werkelijk morele manier hulp te bieden. Van der Vossen doet op dit punt zelf een erg interessant voorstel: stel de grenzen open voor vluchtelingen. Pas als zoiets en ook sancties niet werken, kun je spreken van een ultimum remedium. Zelf meewerken aan het doden van mensen moet je zien als iets wat enkel in het alleruiterste geval gerechtvaardigd kan worden.”

Teule: “Met dat voorstel verlaat Van der Vossen ook even het project van het libertarisme, die niet-inmenging. Bij open grenzen moeten wij zelf ook inleveren omwille van onze principes, daar valt moreel een stuk meer voor te zeggen. Hetzelfde geldt voor economische sancties. Stel je voor dat een land als Saudi-Arabië een terroristische activiteit zou steunen. Waarschijnlijk zouden we internationaal dan nog steeds vrienden blijven. Laten we die economische banden verslappen, dan moeten we daarvoor zelf bloeden.”

Van Tongeren: “Sancties doen vaak aan twee kanten pijn. Zijn we bereid om op een zwaardere manier economische sancties op te leggen? Maatregelen te nemen waarbij we zelf ook lijden? Mensen uit oorlogsgebieden ruimhartiger op te nemen? Pas als dat allemaal niet meer zou werken, is ‘humanitaire’ interventie een oplossing.”

Zie Trouw

Is 30 procent vrouwen in het kabinet genoeg? (Trouw)

(Bijdrage aan Filosofisch Elftal)

Telkens blijkt dat diversiteit zorgt voor betere prestaties, ook in de politiek. Naar hoeveel vrouwen zou het nieuwe kabinet moeten streven?

Alexandra van Ditmars 19 oktober 2017, 16:00

Evenveel mannen als vrouwen in het nieuwe kabinet? Nee, dat was niet het streven, zei premier Rutte vorige week. Het gaat om het vinden van de beste mensen, de verdeling man-vrouw is secundair, lichtte hij toe. Afzwaaiend minister Jet Bussemaker (OCW) reageerde fel: het is ‘niet meer van deze tijd’ de man-vrouwverdeling weg te zetten als bijzaak. De posten in het nieuwe kabinet moeten fifty-fifty verdeeld worden, vindt zij. Is Ruttes opmerking terecht of achterhaald?

Paul Teule, filosoof en economiedocent aan de Universiteit van Amsterdam, is het met Rutte eens dat het hebben van de beste mensen voorop moet staan. “Maar precies om die reden is het belangrijk dat het kabinet divers is. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt zo overweldigend dat hoe diverser een groep is, hoe beter die presteert, dat het vreemd is kwaliteit en diversiteit van elkaar te scheiden. Een gevarieerde groep mensen biedt een mix van eigenschappen, waardoor dezelfde problemen op allerlei verschillende manieren benaderd worden. Keer op keer blijkt dat dat zorgt voor betere kwaliteit – in financiële termen tot oplossingsgerichtheid.

Primair en secundair 

“Wat Rutte hier als primair en secundair presenteert, komt in feite op hetzelfde neer. Hij wil een zo goed mogelijk kabinet. Juist daarom moet Rutte erop letten dat er ook vrouwen in het kabinet zitten. Hetzelfde geldt voor mensen uit verschillende sociale klassen of met verschillende achtergronden.”

“Verbazingwekkend dat Rutte in 2017 deze uitspraak kan doen”, reageert Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek aan de Universiteit Utrecht. “Hij lijkt totaal niet door te hebben dat wij in onze zoektocht naar kwaliteit altijd beperkt worden door onze vooroordelen. Stapels academische literatuur laten zien dat wij leiderschap intuïtief associëren met mannelijkheid. Terwijl inderdaad ook telkens blijkt dat diversiteit juist zorgt voor betere prestaties. Kijk daarom kritisch naar je eigen intuïtieve reacties bij het aannemen van mensen. Wij mogen onszelf wel wat meer wantrouwen op dat gebied. Kwaliteit is niet zo objectief als het lijkt. Waarschijnlijk bedoelt Rutte ‘kwaliteit’ zoals hij dat in zichzelf ziet, en ziet hij dat graag weerspiegeld in de mensen in zijn kabinet. Maar een divers kabinet heeft veel meer kwaliteit dan een kabinet vol klonen van Rutte.”

Positieve gevolgen 

Teule: “Toch ben ik het niet eens met Bussemaker. De man-vrouwverdeling verplicht 50/50 maken, lijkt mij geen goed idee. Uit diversiteitsonderzoek blijkt: als vrouwen ongeveer 30 procent van een groep uitmaken, brengt dat positieve gevolgen voor de kwaliteit met zich mee. Daarmee wordt het groepsdenken in een monocultuur doorbroken. Een quotum van 30 procent lijkt mij daarom redelijk. Maar als vrouwen per se de helft van de groep moeten uitmaken, ondergraaf je waarom diversiteit van betekenis is. Het verschil in eigenschappen geeft diversiteit haar rijkdom. Vrouwen brengen andere eigenschappen met zich mee dan mannen, ongeacht hoe die verschillen te verklaren zijn. Man en vrouw zijn daarmee gelijkwaardig, maar niet gelijk. Bij het gesprek over diversiteit moet het blijven gaan over die eigenschappen. Niet simpelweg over sekse als een vakje dat je afvinkt. Ga dus niet mannen en vrouwen turven, maar hou oog voor die verschillen. Als je de man-vrouwverdeling vastzet, bestaat het gevaar dat het denken daarover stopt.”

Robeyns: “Ik ben er niet over uit wat de beste manier is om te zorgen dat we meer vrouwen in leidinggevende posities krijgen. Maar de reden dat we meer vrouwen op die posities moeten krijgen, is niet enkel het verschil in eigenschappen tussen man en vrouw. Denk ook aan voorbeeldfuncties. Als jongeren alleen maar mannelijke ministers zien, groeien ze op met het idee dat leiders altijd mannen zijn. Een vriendje van mijn negenjarige zoon geloofde laatst niet dat ik professor ben. ‘Albert Einstein, dat is een professor’, gaf hij als verklaring voor zijn ongeloof. Onze ideeën, wensen en verlangens worden gevormd door rolmodellen en door wat wij zien als mogelijkheden. Vrouwelijke ministers zorgen ervoor dat jonge meiden dit ook als een mogelijkheid zien.

Verschillende ervaringen 

“Daarnaast zijn de verschillende ervaringen in een team van belang. In de filosofie heet deze positie standpunt-epistemologie. De stroming kwam in de jaren zeventig op, als onderdeel van de tweede feministische golf, toen vrouwen in groten getale hun plek begonnen op te eisen in de filosofie en andere wetenschappen. Wetenschappen worden beter door vrouwen ook kennis te laten produceren, is het achterliggende idee. Dat is omdat de eigen ervaringen mede bepalen hoe je tegen bepaalde zaken aan kijkt. Vanwege sociale structuren in onze maatschappij, zoals gendernormen, zijn vrouwelijke ervaringen gemiddeld anders dan mannelijke. Bovendien hebben vrouwen nog steeds vaker ervaringen vanuit een ondergeschikte positie, wat ook geldt voor andere groepen die niet de touwtjes in handen hebben. Daardoor krijgen zij andere inzichten in de productie van kennis. Als je mensen met verschillende ervaringen samenbrengt, vallen hen daardoor andere zaken op en zien ze mogelijk ook andere oplossingen, bijvoorbeeld in een beleidsvraagstuk.”

Teule: “Er is zoveel bewijs verzameld dat diversiteit omhoog moet, dat een paardenmiddel geoorloofd is. Zoals een quotum of positieve discriminatie. Maar ook langer zoeken naar een sollicitant of zelf mensen uitnodigen om te solliciteren kan helpen. Want bij discussies over man-vrouwverhoudingen komt telkens weer naar voren: mannen bieden zich eerder aan voor functies dan vrouwen, ook bij gelijke geschiktheid. Daar moet bij de selectie ook rekening mee gehouden worden.”

Robeyns: “De ongelijke man-vrouwverdeling is denk ik zo hardnekkig omdat mensen te zeker zijn van wat ze zelf denken. Om diversiteit en kwaliteit te garanderen, moeten we kritisch kijken naar onze eigen beoordelingsprocessen. De meeste mensen hebben daar geen zin in, en dat is heel erg jammer.”

Zie Trouw

De onmogelijke economie van de euro (dNBg)

Dat de invoering van de euro een politiek project was, en economisch gezien geen hout sneed, hoor je steeds meer economen zeggen, al dan niet met de ‘kennis van nu’. Maar dat er überhaupt geen eenduidige economische analyse mogelijk is die harde, objectieve uitspraken over het wel of niet delen van een munt rechtvaardigt, hoor je zelden. Toch ontkom je niet aan die conclusie als je de theorie over muntunies erop naslaat. Lees Meer

ZZP-ers en armoede (Vrij Nederland

Afbeeldingsresultaat voor vrij nederland

(Bijdrage aan rubriek #DeOplossers) 

Nederland telt steeds meer zelfstandigen zonder personeel. Het merendeel van hen heeft niets geregeld voor hun pensioen. Hoe zorgen we dat zij straks niet massaal aan de bedelstaf geraken?

Volgens het CBS telt Nederlands NEDERLAND inmiddels meer dan 800.000 ‘zelfstandigen zonder personeel’ (zzp’ers). Al bestempelen cynici deze groep liever als ‘zelfstandigen zonder perspectief’. Minder dan de helft van hen heeft goed voor zijn pensioen gezorgd. Hoe voorkomen we dat de zzp’ers van nu de armen van de toekomst worden?

Lees hier verder!

De waarden achter het Griekse akkoord (Trouw)

(Interview door Stevo Akkerman) Terwijl Europese leiders bezweren solidair te zijn met Griekenland, voelen de Grieken zelf zich vernederd en beroofd van hun soevereiniteit. Filosoof en econoom Paul Teule over de begrippen achter de crisis: ‘De Grieken willen bij de eurozone horen, dat is hun soevereine keuze.’

Stevo Akkerman16 juli 2015, 23:28

De cijfers lijken een koele taal te spreken. Als een land te veel geld uitgeeft en zich in de schulden moet steken, terwijl het er tegelijkertijd niet in slaagt nieuwe inkomsten te genereren, dan raakt de kas op een gegeven moment leeg. Een kwestie van simpel rekenwerk. Maar in het Europese debat rond Griekenland, waarin cijfers uiteraard niet ontbreken, spelen berekeningen niet de hoofdrol, maar geladen begrippen als ‘solidariteit’, ‘waardigheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ – de discussie over de euro raakt aan de grondslagen van het Europese samenwerkingsideaal.

Niet verwonderlijk, vindt Paul Teule, docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam. Teule is econoom én filosoof – het uit elkaar trekken van de cijfers en de wereldbeschouwing heeft hem nooit aangetrokken. Economie is niet waardenvrij, daarom lopen de gemoederen in Brussel en Athene ook zo hoog op. Of hebben we het niet meer over economie als de discussie draait om solidariteit? “Jawel, want het gaat over het gunnen van geld en tijd aan een ander – in dit geval leningen, met een rente en een looptijd – en dan gaat het dus om financiële handelingen. Ook de achtergrond is economisch: blijkbaar is de bestaande verdeling van middelen niet goed. Die is grofweg gebaseerd op marktverhoudingen, maar er zit is iets scheef, en solidariteit is de manier om dat te corrigeren.”

We zijn niet solidair met de Egyptenaren, wel met de Grieken. Er zijn grenzen.
“Inderdaad, en die grens heet Europa; de Turken vallen er al buiten.”

Als de Turken economisch onderuit gaan, gaat onze munt niet mee, dat ligt bij de Grieken anders. Is de Europese solidariteit geen verkapte vorm van eigenbelang?
“Er kan zeker ook sprake zijn van verlicht eigenbelang. We exporteren veel naar Griekenland, en we weten niet wat de financiële markten doen als de eurozone een land verliest, dus houden we de Grieken overeind. Verlicht eigenbelang kan ook zijn dat we bijdragen aan een systeem waarop we zelf ook een beroep kunnen doen als we in nood komen.”

Intussen bestaat voor economische correctie via belastingen veel meer draagvlak op nationaal dan op Europees niveau.
“De Europese herverdeling stelt eigenlijk helemaal niets voor. De solidariteit binnen Europa is nationaal georganiseerd – wie zijn baan verliest, bijvoorbeeld, krijgt steun van zijn eigen overheid, niet van Brussel. De begroting van de EU bedraagt circa 1 procent van het Europees inkomen, dat van de nationale overheden 40 tot 50 procent van het inkomen van de afzonderlijke landen.”

Tsipras omarmt Juncker tijdens de bijeenkomst van de politieke leiders van de eurozone afgelopen zondag. Beeld ap

Goed, we betalen de Griekse uitkeringen niet, maar steunen wel hun banken. Hoe solidair is dat eigenlijk tegenover de Baltische staten, Portugal, Ierland? Daar hebben de eigen regeringen harder ingegrepen.
“Dat is een reëel probleem, die landen hebben echt wel een punt. Maar je kunt het ook relateren aan iets anders: in Nederland zijn we twee keer zo rijk als in Griekenland, als de mensen daar geen medicijnen kunnen krijgen, moeten we dan stoppen met onze solidariteit omdat de Balten meer hebben hervormd dan de Grieken? De kindersterfte gaat omhoog, hiv-besmettingen nemen toe, bejaarden staan te huilen bij de pinautomaten – en dan is het ook nog zo dat heel veel normale Grieken geen grip hebben op de politieke klasse. Je kunt landen vergelijken, maar het gaat uiteindelijk om mensen.”

Zolang ze maar in de EU wonen en niet in Egypte.
“Het is onmogelijk met iedereen solidair te zijn. Er zijn nu eenmaal natuurlijke cirkels van landen en volken die bij elkaar horen, die met elkaar verknoopt zijn.

Je kunt je afvragen: wat is een land überhaupt? De beroemde definitie van de Franse filosoof Ernest Renan is: ‘Mensen met een gedeeld verleden, die bij elkaar willen blijven horen’. Zo werkt het in Europa ook. Als de Grieken bij ons willen horen, en wij bij hen, dan is de basis gelegd. Beslissend is de wens om samen dingen te doen, en daarmee van elkaar afhankelijk te zijn.”

En dus niet soeverein?
“Dat hoor je nu over Griekenland, ja, dat het niet meer soeverein zou zijn. Maar dat is eigenlijk flauw, want het is de wens van de Grieken zelf om erbij te horen. Zij willen bij de eurozone horen, dat is hun soevereine keuze.”

Je kunt je soevereiniteit uitdrukken in een multinationale organisatie?
“Ik denk het wel. Natuurlijk zijn landsgrenzen belangrijk, maar je territorium is veel groter dan dat. Landen hebben zoveel belang bij wat er buiten hun eigen grenzen gebeurt. Voor Nederland geldt dat extreem: om goed te functioneren moeten we actief zijn – en meebetalen – in een veel groter gebied dan het onze. Soevereiniteit gaat over gezag, dat behelst meer dan dat je baas bent in eigen huis, minstens zo zwaar telt hoeveel invloed je hebt in het internationale krachtenveld.”

Maar de Grieken leveren nu toch ontegenzeggelijk soevereiniteit in?
“Natuurlijk. Staatsbedrijven worden onder curatele gesteld, de trojka komt weer binnen, bepaalde wetten moeten binnen drie dagen worden doorgevoerd – het is ongekend! De Grieken hebben lang de kans gehad zelf voorstellen te formuleren, als die uitblijven dan krijg je dit soort rare, urgente toestanden. Zo zijn de machtsverhoudingen. Maar het is zeker vernederend.”

De eurolanden hebben natuurlijk ook enig recht van spreken: ze hebben miljarden geleend aan Griekenland. Bij ons zei minister Jan Kees de Jager indertijd dat wij dat geld met rente terug zouden krijgen.
“Van dat verhaal blijft niet veel overeind; de Grieken mogen er jaren over doen voordat ze gaan afbetalen, je moet je afvragen wat die schuld dan nog waard is, en waarom je hem nu niet kwijt zou schelden. Overal ter wereld is het zo dat als er iets misgaat met schulden, je erkent dat zowel kredietverlener als kredietnemer een foute inschatting heeft gemaakt. De prijs is dat je de lening voor een deel kwijt moet schelden.”

Filosoof Slavoj Zizek noemt de Europese aanpak een triomf van de technocraten, en hij ziet Jeroen Dijsselbloem als de grootste boosdoener. Wat Syriza wilde bespreken – de politiek-ideologische dilemma’s, de sociale prijs van hervormingen – stuitte op een technocratisch njet. Zo kwam nooit een dialoog tot stand.
“De vraag is of Dijsselbloem en zijn collega-ministers van financiën daarvoor verantwoordelijk zijn. Zij krijgen een politiek kader mee en zijn vervolgens belast met de uitvoering, dat is per definitie technisch. Dan gaat het over de pensioenleeftijd, de inrichting van een kadaster, belastinginning, privatisering. Wordt daar niet aan gewerkt, dan heb je wel bezuinigingen, maar geen hervormingen, en gaat de ellende maar door. Je kunt niet van Dijsselbloem vragen zich ruimhartiger op te stellen.”

Is het falen van de politici dan geweest dat ze onvoldoende hebben laten blijken dat er achter hun technocratische retoriek morele keuzes schuilgaan? Als je het Griekse publiek niet laat zien waar je opstelling vandaan komt, blijft alleen je strengheid zichtbaar.
“De kunst is de technocratie niet tegenover de democratie te stellen. Het moet mogelijk zijn duidelijk te maken dat het akkoord – met de eis voor een kadaster, een onafhankelijk statistisch bureau, een politiek-neutraal ambtenarenapparaat – geen kwaadaardig complot is. Dergelijke technocratie is niet hardvochtig, het is de uitwerking van de spelregels van een democratische samenleving.”

Het afvalprobleem (Vrij Nederland)

Afbeeldingsresultaat voor vrij nederland

(Bijdrage aan rubriek #DeOplossers)

Overwinning van de milieulobby: afgelopen maand besloot staatssecretaris Wilma Mansveld van Milieu dat het statiegeld op plastic drankflessen voorlopig blijft. Tegelijkertijd produceren Nederlanders nog altijd een hoop afval. Vooral de stijgende hoeveelheid lichte kunststoffen valt op: jaarlijks gebruiken alle Nederlanders samen 563 miljoen kilo plastic verpakkingen, waarvan slechts een klein deel gescheiden wordt ingezameld.

Het is goed dat het statiegeld blijft, zegt evolutionair psycholoog Mark van Vugt. ‘Mensen willen best plastic flessen inzamelen als ze er iets voor terug krijgen. Dat noemen we het reciprociteitsprincipe, dat diep in de menselijke psyche zit verankerd.’ Het ‘voor wat hoort wat’-beginsel kan ook op andere manieren helpen bij de strijd tegen afval. ‘Voor elke recyclebare fles die een klant terugbrengt, zou de winkelier ook een klein bedrag kunnen storten voor een goed doel, bijvoorbeeld een pot om meer bomen te plaatsen op een schoolplein in de buurt. Een klant die de fles niet retourneert, ervaart dan een schuldgevoel.’ Deze psychologische reactie is heel sterk. ‘Je kent het zelf ook. Als iemand jou een verjaardagscadeau geeft en jij vergeet vervolgens een cadeau terug te geven, voel je je schuldig.’ Ook hotels maken hiervan tegenwoordig met succes gebruik. Ze beloven het milieu te steunen voor elke niet-gewassen handdoek, wat ertoe leidt dat hotelgasten dezelfde handdoek veel langer gebruiken. Een andere mogelijkheid om het terugbrengen van plastic flessen te stimuleren, zegt Van Vugt, is het organiseren van een legeflessenloterij. ‘Keer in één keer een hoofdprijs uit, in plaats van voor elke fles een klein bedrag. Loterijen hebben een grote aantrekkingskracht.’

Neurobioloog Sicco de Knecht meent dat we de hoeveelheid verpakkingsmateriaal moeten verminderen. ‘Daarvoor moeten we onze perceptie van schoonhandig en chic veranderen. Het is helemaal niet hygiënischer als tomaten met zijn tienen in een plastic doosje zitten. En vier kazen op een kaasplankje die allemaal apart in een cellofaantje verpakt zijn, is volgens mij schijnluxe.’ Hoewel verpakkingen nooit helemaal zullen verdwijnen, vindt De Knecht dat de vanzelfsprekendheid in het gebruik is doorgeslagen. ‘Koekjes zitten per vijf verpakt in een doos, met weer allemaal andere dozen in een grotere doos op een pallet in plasticfolie verpakt. Kan het wat minder?’ Hij pleit voor een publiekscampagne. ‘Je moet het idee van talloze overbodige verpakkingslagen belachelijk maken. Een reclamefilmpje van iemand die zijn lunch eet en twee keer het gewicht van zijn broodje in plastic achterlaat, lijkt me een leuke methode. Hadden we daar SIRE niet voor?’

Archeoloog Vladimir Stissi denkt dat we kunnen leren van het verleden. ‘Vroeger was het doodnormaal om dezelfde opslagmaterialen een leven lang te gebruiken. Mensen namen hun eigen verpakkingen mee naar de winkel om ze daar te vullen.’ Deze oude gewoonte lijkt voorzichtig te herleven: in navolging van Duitse en Belgische steden verscheen onlangs in Groningen Opgeweckt Noord, de allereerste verpakkingsvrije winkel van Nederland. Later dit jaar krijgt Utrecht een primeur met Bag&Buy, de eerste verpakkingsvrije supermarkt van het land.

Stissi wijst erop dat het vroeger ook goed gebruik was om kleding, meubels of andere gebruiksvoorwerpen zelf te maken. ‘Een zelfgemaakte kast gooi je minder snel weg dan een Billy of Hemnes van Ikea.’ Wie minder afval wil, zegt Stissi, moet dus meer doe-het-zelven. ‘Je voelt je meer betrokken bij een kast of trui die je helemaal zelf hebt gemaakt.’

Politiek econoom Paul Teule ziet de oplossing voor onze milieuproblematiek in het prijsmechanisme. ‘Afval is nu veel te goedkoop. Als producten duurder zouden zijn, zouden we minder kopen en ook minder weggooien.’ Volgens Teule geven de meeste prijslabels ten onrechte een lage prijs aan. ‘De prijzen kloppen niet omdat in de hele levenscyclus van het product allemaal kosten worden gemaakt die niet zijn meegenomen in de prijs.’ Hij wijst op ngo’s zoals True Price, die berekenen hoe duur een fles shampoo zou moeten zijn als alle afvalkosten meetellen. ‘Dat is best ingewikkeld, maar het kan wel.’ Volgens Teule moeten de prijzen dus omhoog. ‘En als het voor marktpartijen te ingewikkeld is, moet de overheid dat doen door belastingen te heffen, zodat er meteen geld wordt ingezameld om het afval op te ruimen. Want dat is voorlopig nog een overheidstaak.’

Milieuwetenschapper Heather Leslie benadrukt dat het overgrote deel van ons afval kan worden voorkomen tijdens de ontwerpfase. ‘Producten moeten zo worden ontworpen dat je bijvoorbeeld gemakkelijk defecte onderdelen kan vervangen,’ zegt ze. ‘Mijn iPhone noem ik de iBroken, want er ging al snel iets kapot en dan kun je het hele apparaat niet meer gebruiken: e-waste.’ Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld wasmachines en koffiezetapparaten. ‘Er bestaan apparaten waarbij het erg lastig of onmogelijk is om ze volledig uit elkaar te schroeven en dan nog hou je niet veel herbruikbare onderdelen over.’ Leslie pleit daarnaast voor een heroverweging van het gebruik van praktisch niet-recyclebare stoffen zoals polystyreen. ‘Dat zit in miljoenen producten, zoals piepschuim.’

Volgens haar is gedragsverandering uiteindelijk cruciaal. De duurzaamheidsleus ‘Reduce, Re-use and Recycle’ zou moeten worden uitgebreid met een vierde R: Refuse. ‘We zouden vaker nee kunnen zeggen tegen dingen die we niet nodig hebben en niet eens willen. De meeste Nederlanders drinken nooit suiker in hun thee, maar toch krijgt iedereen een zakje suiker bij zijn kop, dat vervolgens in de prullenbak belandt.’ Haar tip: ‘Zeg bij het bestellen meteen dat je geen suiker hoeft.’ Hetzelfde geldt voor een plastic deksel bij een beker koffie: ‘Dat heb je vaak helemaal niet nodig. Weiger het dan gewoon.’
Volgens Leslie moeten we nadenken over ‘de vreugdeloosheid van de consumptiemaatschappij’. ‘We creëren met zijn allen te veel afval omdat we ons laten leiden door reclame en statusangst. Maar uiteindelijk wordt niemand blij van al die wegwerptroep en lelijke spullen.’