Maak van het bbp een échte, duurzame economische maatstaf (ESB)

Afbeeldingsresultaat voor ESB meten van welvaart

De kritiek op het meten van welvaart aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp) neemt toe. Alternatieve indicatoren of monitors zijn echter niet opgewassen tegen de institutionele kracht van het bbp. Het is verstandiger om het bbp zelf te verbeteren en aan te vullen.

De kritiek op het nationaal inkomen, oftewel het bruto binnenlands product (bbp), is zo oud als de statistiek zelf. De laatste tien, vijftien jaar klinkt de roep steeds luider om het bbp in de ban te doen, en hierover verschijnt er boek na boek (Coyle, 2014; Philipsen, 2015; Lepenies, 2016; Fioramonti, 2017; Pilling, 2018) en rapport na rapport (Stiglitz et al., 2009; Commissie Breed Welvaartsbegrip, 2016). De sociale, ecologische én economische bezwaren tegen het bbp zijn legio en er vallen vaak harde woorden, en niet door de minsten: Joseph Stiglitz noemde het bbp ooit een ‘fetisj’ en een ‘zwendel’; The Economist beschimpte het bbp met een artikel getiteld ‘Grossly Distorted Picture’.

Het is op zijn zachtst gezegd een paradox (Van den Bergh, 2009) dat we nog steeds zo krampachtig vasthouden aan het bbp als de economische en politieke graadmeter van maatschappelijk succes. Hoe het bbp precies doorwerkt in onze instituties, daar is weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan (behoudens studies als Schmelzer (2016), waarbij de rol van instituties als de OESO in onze hang naar economische groei wordt onderzocht), maar zeker is dát het bbp een hoofdrol speelt. Kijk naar het Nederlandse politieke landschap: het belangrijkste debat (de Algemene Beschouwingen) en de belangrijkste onderliggende politieke documenten (de Miljoenennota, de Macro Economische Verkenning, de partijprogramma’s) zijn volledig geënt op het bbp. Het bbp vormt ook het ijkpunt voor financiële bijdragen aan organisaties als de EU of de NAVO en het is de basis voor de beoordeling van overheidstekort en -schuld.

Nationale rekeningen

De ‘kracht’ van het bbp is beter te duiden wanneer we de geschiedenis van de nationale rekeningen in ogenschouw nemen. In de jaren dertig van de vorige eeuw publiceerde Simon Kuznets (1901–1985) in opdracht van het Amerikaanse Congres zijn National Income 1929–32, een 261 pagina’s tellend rapport over de Amerikaanse economie, boordevol gedetailleerde tabellen over de werkgelegenheid en de inkomens per sector. Het totale ‘nationale inkomen’, zo was Kuznets’ conclusie, nam tussen 1929 en 1932 een duikvlucht van tachtig miljard dollar in 1929 tot onder de vijftig miljard dollar. Kuznets was uitermate kritisch over de zeggingskracht van ‘het’ nationaal inkomen, omdat het niet zegt waarmee dit inkomen verdiend is en hoe het verdeeld is. Hij wilde criminele transacties, de reclame-industrie en veel financiële dienstverlening buiten beschouwing laten, maar ook veel overheidsactiviteit, omdat dit wat hem betreft niet direct aansloot bij de behoeften van de doorsneeburger. Maar het kwaad was al geschied: alles waarvoor betaald werd, zou mee gaan tellen. Dat was nu juist de eenvoud en de kracht van het nationaal inkomen.

Daar kwam bij dat de Britten, mede door John Maynard Keynes (1883–1946), het nationaal inkomen uitbouwden tot een elegant en overzichtelijk systeem. Keynes, die furore had gemaakt met zijn pamflet How to pay for the war (1940), kreeg het Britse ministerie van Financiën zover om Richard Stone (1913–1991) de Britse ‘nationale rekeningen’ te laten ontwikkelen, een boekhoudkundig systeem waarin productie, inkomen en bestedingen van een land in samenhang worden weergegeven. Het hart van de nationale rekeningen werd al gauw het bruto nationaal product (bnp), dat de gehele productie, en de daaraan verbonden inkomens en uitgaven, inclusief die van de overheid, in één getal samenvat. Dit getal ontleent zijn kracht juist ook aan het feit dat het zichzelf op drie manieren bevestigd ziet, via de productie, bestedingen en inkomensvorming. Het getal lijkt een waarachtige waarneming van ‘de economie’, omdat de drie methoden zich systematisch tot elkaar verhouden en naar elkaar verwijzen. Daardoor is het moeilijk om buiten het systeem om te denken.

Stone zou dit systeem later voor de Verenigde Naties (VN) uitwerken tot hét officiële Systeem van Nationale Rekeningen, de internationaal geaccepteerde standaard voor het meten van ‘de economie’, met het bnp, en uiteindelijk het bbp, dat makkelijker te berekenen is, als elegante en krachtige samenvatting van welvaart.

iStock.com/cyano66

Niet perfect

De nationale rekeningen zijn, met name voor overheden, een geweldig instrument om in beeld te krijgen wat er in de economie gebeurt: hoe geldstromen lopen, wie wat voor wie produceert, en hoeveel inkomsten en uitgaven de schatkist mag verwachten. Maar dat wil niet zeggen dat een hoger bbp, een toename van transacties en dus meer geproduceerde goederen en diensten, automatisch beter is. Je moet, zoals Kuznets al zei, kijken naar wat er precies groeit, en wie daar beter van wordt. En zeker in onze huidige, westerse economieën betekent bbp-groei niet automatisch een verbetering in welzijn. Tal van psychologische en sociale factoren, van gewenning, consumptie uit positionele overwegingen, keuzestress tot bijvoorbeeld ook – zoals antropoloog David Graeber het omschreef – het ‘psychologische geweld’ van ongeïnspireerd werk, zetten de link tussen welvaart en welzijn op losse schroeven (Graeber, 2018).

Hier komen natuurlijk nog de enorme externe effecten bij die onze economie sorteert, met name de schade aan het milieu, en de door fossiele brandstoffen veroorzaakte opwarming van de aarde – het ‘grootste marktfalen uit de geschiedenis’, zoals de Britse econoom Nicholas Stern het formuleerde. De Nederlandse economie stoot jaarlijks 200 megaton CO2 uit en zadelt het mondiale ecosysteem daarmee op met kolossale kosten, die, als we deze internationaal zouden verrekenen, het mondiale bbp ten onrechte zouden doen toenemen.

De voorstanders van het bbp zouden kunnen beweren dat het bovenstaande wellicht waar is, maar dat dit niet de schuld is van het bbp. Het bbp pretendeert toch ook niet een graadmeter te zijn voor ons welzijn of het milieu? Het meet toch ‘gewoon’ welvaart, de economie? Maar daar valt dus ook het nodige op af te dingen. Ten eerste tellen tal van goederen en diensten niet mee, enkel omdat er geen geld voor wordt betaald. Dan gaat het niet alleen om huishoudelijk of vrijwilligerswerk, maar ook om de digitale economie die veelal ‘gratis’ diensten produceert. Het bbp is hier niet op toegerust omdat het, in de woorden van Diane Coyle, “a measure of the economy best suited to an earlier era” is (Coyle, 2014).

Een topman van muziekstreamer Spotify stelde het nog scherper: “The goal of disruptive technology companies, in the statistical sense, is to reduce GDP.” Het bbp kan dus zelfs dalen doordat nieuwe, disruptieve bedrijven transacties uit de ‘oude’ economie overbodig maken (Pilling, 2018). Dit raakt aan een bekend probleem: de groei van het reële bbp, waar de inflatie dus van af is getrokken, is al een structurele onderschatting van de werkelijke groei, omdat prijsstijgingen door kwaliteitsverbeteringen voor inflatie worden aangezien. De prijs van een smartphone ten opzichte van het oude mobieltje is, gezien de sterk toegenomen functionaliteit, in feite sterk gedaald. Statistici kunnen hier (via zogenaamde ‘hedonic adjustments’) slechts in beperkte mate wat aan doen (zie ook Inklaar (2019) in dit dossier). Mede op basis hiervan concludeerde Martin Feldstein onlangs nog dat “the official measure of real GDP does not even achieve its stated goal of measuring real national output on its own terms” (Feldstein, 2017, p. 148; mijn cursivering). Het (reële) bbp meet dus niet eens wat het zou moeten meten.

Maar het sterkste economische argument tegen het bbp is dat het slechts de halve boekhouding van een land weergeeft: alleen het inkomen van het afgelopen jaar komt in beeld, niet de onderliggende balans van bezittingen en schulden. Die balans kun je, en dat is essentieel voor de duurzaamheid van onze economie, zien als het vermogen of de capaciteit om in de toekomst te produceren. Inkomsten die ten koste gaan van de mogelijkheid om in de toekomst opnieuw inkomen te genereren – door in te teren op onze spaartegoeden, schulden aan te gaan, of het ecosysteem uit te putten – zouden nooit voor ‘inkomen’ mogen doorgaan. De klassieke definitie van inkomen van John Hicks luidde niet voor niets: “the maximum value which he can consume during a week, and still expect to be as well-off at the end of the week as he was at the beginning” (Hicks, 1946, p. 172).

‘Het bbp geeft slechts de halve boekhouding van een land weer’

Het is dus ook absurd om het bbp, en niet ons (langdurend) vermogen om inkomen te genereren, als ‘de economie’ te beschouwen. We zouden de ‘BV Nederland’ dan ook niet alleen moeten waarderen al naargelang de stand, of de waarde, van onze machines en infrastructuur (economisch kapitaal), kennisniveau en vaardigheden (menselijk kapitaal) en onze netwerken en instituties (sociaal kapitaal), maar ook naargelang de waarde van de grondstoffen en het ecosysteem (natuurlijk kapitaal). De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) maakte zich in Naar een lerende economie: investeren in het verdienvermogen van Nederland al sterk voor deze gedachte. “Iedereen die een bedrijf waardeert zal behalve naar de exploitatie­rekening ook naar de balans kijken. Waarom zouden we bij een land dan wél genoegen nemen met alleen exploitatie­gegevens als het bbp?” (WRR, 2013).

Onontkoombaar

Het punt is echter dat we de officiële definitie van onze economie en het Systeem van Nationale Rekeningen zo hebben vastgezet in stroperige, langlopende cycli van vergaderingen op VN-niveau, dat we deze mammoettanker haast niet bij kunnen sturen. We zitten gevangen in het zeventig jaar oude bouwwerk van Stone waar ons idee van ‘de economie’ op gestut is.

Hier komt nog bij dat pogingen om iets aan de bbp-hegemonie te doen, de positie van het bbp alleen maar lijken te hebben versterkt. Dit gaat als volgt in zijn werk: meestal begint een initiatief, zoals de geruchtmakende door de Europese Commissie georganiseerde conferentie ‘Beyond GDP’ in 2007, of de topzware onderzoekscommissie onder leiding van Joseph Stiglitz in 2009, met een knappe, complete analyse van alle gebreken van het bbp, om vervolgens te concluderen dat het bbp dus moet worden aangevuld met andere indicatoren. Deze ‘dashboard-denkfout’, zoals ik hem maar even doop, gaat ervan uit dat het publiceren van meer data ‘naast’ het bbp zal leiden tot een meer evenwichtige balans. Maar hier zijn geen aanwijzingen voor. Geen politicus die zijn werkweek begint met staren naar een dashboard vol gegevens en besluit om te pleiten voor economische krimp omdat de CO2-uitstoot in het rood schiet. Sterker nog, de dashboard-gedachte zal juist leiden tot meer aandacht voor het bbp, omdat het bbp zelf intact blijft en alle kritiek naast zich neer kan leggen: daar zijn immers andere indicatoren voor.

‘Twee jaar na de commissie Grashoff gaat nog steeds alle aandacht uit naar het bbp’

Een mooi voorbeeld hiervan is de Nederlandse parlementaire commissie, onder leiding van GroenLinks-Kamerlid Rik Grashoff, die in 2015/2016 het bbp heeft onderzocht naar aanleiding van het eerder genoemde WRR-rapport. De commissie besloot al snel om het bbp ongemoeid te laten en aan te sluiten bij de ‘dashboard’-gedachte: er zou voortaan een Monitor Brede Welvaart moeten komen die alles wat het bbp niet meet, zoals CO2-uitstoot, overgewicht en schulden van huishoudens, in grote gekleurde waaiers tegelijk presenteert. Omdat tientallen indicatoren op een hoop worden gegooid, lijkt het alsof de CO2-uitstoot, de uitputting van fossiele reserves en verlies aan bio­diversiteit gecompenseerd kunnen worden door minder overgewicht, meer onderwijs of minder misdaad. Het verlies aan natuurlijk kapitaal kan, doordat het bbp (per capita) er ook bij staat, zelfs gecompenseerd worden door meer economische groei – dat is toch de wereld op zijn kop. In de laatste Monitor Brede Welvaart staat dan ook doodleuk dat de ‘brede welvaart’ in Nederland “in het algemeen omhooggaat”, terwijl de indicatoren voor natuurlijk kapitaal ver in het rood uitslaan.

Grashoff maakte ook nog de strategische fout om het moment van de presentatie van deze waaiers in mei te laten vallen, tijdens Verantwoordingsdag, in plaats van tijdens de Algemene Beschouwingen in september. Daarmee zegt Grashoff eigenlijk dat ‘de economie’ en ‘duurzaamheid’ twee verschillende domeinen zijn die we apart – in aparte documenten én op aparte momenten – evalueren. Het is, om bij de dashboard-beeldspraak te blijven, alsof je in een auto rijdt terwijl de helft van het dashboard, vol rode knipperende lampjes, thuis ligt. En dat terwijl natuurlijk kapitaal toch echt bij onze economie hoort – in toenemende mate zelfs, wanneer het schaarser wordt.

Maar het leek wel of de commissie ‘de economie’ als een onaantastbaar gegeven beschouwde. Niet alleen was de eerste conclusie van het rapport dat het bbp “een robuuste indicator is om de omvang van de economie te meten”, bij het debat over het rapport werd ook duidelijk dat de vraag of economische groei goed is, helemaal niet ter sprake was gekomen. Toen een NRC-journalist Grashoff hiermee confronteerde, zei hij doodleuk: “Ik ben geen econoom.”

Twee jaar na het Grashoff-rapport zitten we nog steeds opgescheept met de status quo. Op Prinsjesdag gaat alle aandacht uit naar het bbp. Met de ­jaarlijkse rijksbegroting, inclusief flankerende documenten (doorrekeningen, de Macro Economische Verkenning, de Miljoenennota), bevestigen we in Nederland telkenmale dat ‘het bbp’ en ‘de economie’ inwisselbaar zijn. Bij de plannen van het kabinet-Rutte III in 2017 zagen we enkel stroomvariabelen; de enige balanspost die vermeld werd was de overheidsschuld, ironisch genoeg als percentage van het bbp. Een échte, eerlijke doorrekening ontbreekt (Teule, 2017).

Weg vooruit

We zouden, letterlijk en figuurlijk, de balans moet opmaken wanneer het er echt toe doet. Je zou toch zeggen dat het een peulenschil is voor de regering om, samen met het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau, haar overheidsbeleid echt door te rekenen? Hoe moeilijk is het om een uitgebreide balans te publiceren, en relevante mutaties te bespreken. En waarom publiceren we niet een netto binnenlands product dat de grootste schadeposten, de afschrijvingen op economische én natuurlijk kapitaal, netjes verdisconteert. Het zou een eerlijke en logische productiemaatstaf zijn: alles wat verbruikt wordt in het economische proces, en enigszins kan worden gemeten in monetaire termen, wordt van het bbp afgetrokken. Tot op heden hebben dit soort initiatieven (zoals Green GDP, Environmentally Adjusted GDP of Environmentally adjusted multifactor productivity growth (OESO, 2016)) weinig succes gehad, omdat ze niet als mainstream-economie worden beschouwd. Wellicht kunnen we echt nieuwe stappen gaan zetten als we de mentale schotten tussen duurzaamheid en economie kunnen neerhalen, en alleen een duurzame economie een economie mag heten.

Literatuur

Bergh, J.C.J.M. van den (2009) The GDP paradox. Journal of Economic Psychology, 30(2), 117–135.

Commissie Breed welvaartsbegrip (2016) Welvaart in kaart. Eind­rapport Commissie Grashoff. Te vinden op www.tweedekamer.nl.

Coyle, D. (2014) GDP: a brief but affectionate history. Princeton: Princeton University Press.

Feldstein, M. (2017) Underestimating the real growth of GDP, ­personal income, and productivity. Journal of Economic Perspectives, 31(2), 145–164.

Fioramonti, L. (2017) The world after GDP: politics, business and society in the post growth era. Cambridge, VK: Polity.

Graeber, D. (2018) Bullshit jobs. New York: Simon & Schuster.

Hicks, J.R. (1946) Value and capital, 2e editie. Oxford: Clarendon Press.

Inklaar, R. (2019) Gratis digitale diensten maken het meten van ­welvaart moeilijk. ESB, 104(4773S), 35–39.

Lepenies, P. (2016) The power of a single number: a political history of GDP. New York: Columbia University Press.

OESO (2016) Greening productivity measurement: Environmentally adjusted multifactor productivity growth. Parijs: OESO.

Philipsen, D. (2015) The little big number: how GDP came to rule the world and what to do about it. Princeton: Princeton University Press.

Pilling, D. (2018) The growth delusion: the wealth and well-being of nations. Londen: Bloomsbury Publishing.

Schmelzer, M. (2016) The hegemony of growth: the OECD and the making of the economic growth paradigm. Cambridge, VK: Cambridge University Press.

Stiglitz, J.E., A. Sen en J.-P. Fitoussi (2009) Report by the Commission on the measurement of economic performance and social progress. Rapport te vinden op ec.europa.eu.

Teule, P.R. (2017) Rutte III en de gebrekkige boekhouding van de BV Nederland. TPE Digitaal, 11(3). Te vinden op www.tpedigitaal.nl.

WRR (2013) Naar een lerende economie: investeren in het verdienvermogen van Nederland. Amsterdam: Amsterdam University Press.