Recensie: De limieten van de markt (ESB)

Jarenlang werd hoogleraar economie Paul De Grauwe door uitgeverij Lannoo bestookt met verzoeken om eens een boek te schrijven voor een groter publiek. De Grauwe had er aanvankelijk geen zin in, maar merkte, toen hij toch wat begon te schrijven, dat hij steeds enthousiaster werd omdat het hem hielp om zijn ideeën over economie eens goed te ordenen – en eigenlijk om zijn ideeën over ‘economische ordening’ eens goed te ordenen.

Het resultaat is De limieten van de markt waarin De Grauwe betoogt dat zowel de markt als de overheid te dominant kan worden, omdat beide begrensd zijn in hun vermogen om het economisch proces
aan te sturen.

Een te dominante markt, met een te grote economische vrijheid voor
het individu, levert niet de collectief gewenste uitkomsten op waar economen – en Paul De Grauwe was daar naar eigen zeggen altijd
één van geweest – zo graag in willen geloven. Zo wordt milieuvervuiling niet vanzelf ingeprijsd, waardoor de markt op ecologische grenzen stuit.

Ook de financiële markt moet niet te vrij worden gelaten, aangezien investeerders elkaar kunnen aansteken met blindheid voor risico’s. Het gedrag van banken en van hun deposanten kan ook leiden tot negatieve collectieve uitkomsten, zoals een credit crunch of bankrun. En dan is er nog het probleem van publieke goederen: individueel rationeel gedrag (wel van een park genieten, maar er het liefst niet voor betalen) zorgt ervoor dat een collectief gewenst park uiteindelijk niet gefinancierd wordt. Het zijn allemaal voorbeelden van individueel gedrag met negatieve externe effecten.

De Grauwe bespreekt ook nog een categorie grenzen van
marktwerking die ‘in’ onszelf zitten. Hij doelt dan bijvoorbeeld op ons gevoel voor rechtvaardigheid dat niet altijd door de markt en haar toedeling wordt bediend. Ook de bij mensen ingebakken wens om samen te werken of ergens aan bij te dragen zonder directe vergoeding, past niet goed bij het idee van marktwerking. Betaling kan zelfs onze intrinsieke motivatie verdringen om het goede te doen, zoals dat bijvoorbeeld bij
het doneren van bloed het geval is. De Grauwe sluit hier aan
bij het bekende werk van Harvard-filosoof Michael Sandel.

Wanneer de markt tegen haar grenzen aanloopt, wordt de roep
om overheidsinterventie groter. De overheid kan immers externe effecten oplossen en via herverdeling tegemoetkomen aan onze sociale wensen. Maar ook de overheid is begrensd. Overheden hebben sowieso een probleem in het inwinnen van de juiste informatie om een economie te kunnen aansturen. Daarbij worden politici bedolven onder lobbyisten die
vooral de belangen van kleine groepen behartigd willen krijgen, en de
kosten willen uitsmeren over grote groepen anderen die zich niet goed
organiseren. Maar de overheid loopt ook tegen haar grenzen aan als er te
veel misbruik wordt gemaakt van de sociale zekerheid. Dan klinkt de roep
om meer markwerking weer.

Omdat we volgens De Grauwe steeds doorschieten in ons geloof in één van
beide, zijn we als maatschappij gedoemd om als een slinger tussen beide
heen en weer te bewegen. Zo was in de periode tussen de Industriële Revolutie en de Grote Depressie de markt leidend, daarna nam de overheid het stokje over, in de jaren zeventig en tachtig nam de markt weer revanche, en sinds de Grote Recessie van 2008 zijn de ogen weer gericht op de overheid.

Hoewel De Grauwe in De limieten van de markt zelf ook meeslingert en pleit voor meer overheidsingrijpen (een vermogensbelasting en een activistische ECB), is zijn belangrijkste boodschap toch dat we af moeten van de ‘hiërarchische’ kijk op de markt en staat. Geen van beide zou de ander van de troon moeten willen stoten, beide hebben elkaar nodig.

Hoewel het betoog van De Grauwe overtuigt, blijft de indruk toch ook hangen dat hij zelf te veel denkt in termen van markt of staat. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of De Grauwe wel oog heeft voor economische activiteiten die buiten beide categorieën vallen. Denk aan donaties, vrijwilligerswerk, crowdsourcing, crowdfunding en andere initiatieven in de steeds belangrijker wordende ‘deeleconomie’. Wie bloed of geld doneert,
een Wikipedia-artikel schrijft of online zijn auto of boormachine beschikbaar stelt, doet dat vaak én niet alleen om eigen materieel gewin én zonder dat een overheid zich ertegenaan bemoeit. Anders dan De Grauwe beweert, is een economie meer dan een mix tussen markt en staat.

Er zijn meer vragen en kanttekeningen die De limieten van de markt bij economen zal oproepen, maar De Grauwe schrijft hier niet voor academici, maar voor een breder economisch geïnteresseerd publiek. En wat dat betreft is zijn leesbare betoog, over iets gortdroogs als economische ordening, meerdan geslaagd.