Recensie: Niet alles is te koop (ESB)

Afbeeldingsresultaat voor niet alles is te koop

Economen hebben niet veel met moraal. Markten zijn immers neutraal, mensen bevredigen er hun behoeften op basis van hun voorkeuren, en wie is de econoom om zich over die voorkeuren een moreel oordeel aan te matigen? Volgens de Amerikaanse filosoof Michael Sandel is dat een cruciale denkfout, omdat markten hun sporen nalaten op zowel de deelnemers als de handelswaar en omdat ze steeds meer niet-commerciële waarden zijn gaan verdringen. Markten maken morele kosten die ook de econoom zich ter harte zou moeten nemen.

In ‘Niet alles is te koop: de morele grenzen van marktwerking’ laat Sandel zien hoe in Amerika de markt sinds de jaren tachtig de tot dan toe onontgonnen gebieden, zoals onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid en sport, is binnengedrongen en hoeveel er tegenwoordig te koop is: van verblijfsvergunningen en bruiloftstoespraken tot advertentieruimte op politieauto’s, van levensverzekeringen en CO2 -uitstootrechten tot de naam van de gymzaal van een middelbare school. Sandel vindt de markt weliswaar een nuttig instrument, maar vreest dat Amerika tot een marktsamenleving verworden is.

Hij heeft twee grote bezwaren tegen de markt als dominante ordening. Ten eerste zijn markten niet altijd eerlijk. Niet iedereen kan zich een privéarts, verblijfsvergunning of nieuwe nier veroorloven. Economen beweren vaak dat de markt deze schaarse goederen in ieder geval verdeelt onder diegenen die ze het liefst willen hebben, iets dat tot uitdrukking komt in hun bereidheid tot betalen. Maar Sandel wijst erop dat in die bereidheid ook de mogelijkheid tot betalen verdisconteerd zit. Het zou goed kunnen dat iemand die de meeste waarde aan een goed hecht er geen geld voor heeft, en dat iemand met geld, maar zonder veel waardering, ermee aan de haal gaat. Sandel heeft zelf de ervaring dat mensen die felbegeerde en dure zitplaatsen bij sportwedstrijden hebben, vaak te laat komen en vroeg weggaan.

Het tweede, belangrijkere bezwaar is dat de markt mensen en goederen kan corrumperen. Een gratis opvoering in het New Yorkse Central Park van De Koopman van Venetië met Al Pacino verloor haar maatschappelijke waarde toen er een handel ontstond in kaartjes tussen mensen die wel en niet bereid waren om in de wachtrij te staan. De vrouw uit Utah die haar voorhoofd als advertentieruimte verkocht, degradeerde zichzelf tot reclamezuil. De lobbyisten die zwervers vijftien dollar per uur betalen om voor hen in de wachtrij te gaan staan voor een hoorzitting van het Amerikaanse Congres ontheiligen daarmee, volgens Sandel, de democratie. En met de intrede van de skybox is veel van de saamhorigheid van sportfans verdwenen. Door iets te verhandelen kan het zijn waarde verliezen.

Wat ook verloren kan gaan, is de intrinsieke motivatie die mensen hebben om het goede te doen. Financiële prikkels kunnen innerlijke drijfveren verdringen. Een kind betalen per gelezen boek maakt lezen lucratief, in plaats van leuk of leerzaam. Als mensen betaald worden om te collecteren – zeg tien procent van de opbrengst – verdringt dat het verantwoordelijkheidsgevoel en kan het zomaar minder opleveren. Als burgers geld krijgen voor de opslag van kernafval in hun dorp, kan het plan zomaar op minder steun rekenen dan een variant waarbij het dorp niet betaald wordt. De monetaire stimulans ondergraaft dan het idee dat kernafval een gedeelde verantwoordelijkheid is, die je als burger hebt te dragen.

Sandels hoofdpunt is dus dat financiële prikkels de intrinsieke motivatie afstompen. Daarmee gaat hij in tegen de door hem aangehaalde economen Dennis Robertson en Larry Summers, die beiden beweerden dat markten zo wenselijk zijn omdat we maar een kleine voorraad aan altruïsme en onbaatzuchtigheid bezitten, die we dan ook maar beter aan onze vrienden en familie kunnen besteden. Voor Sandel zijn altruïsme, onbaatzuchtigheid en verantwoordelijkheidsgevoel juist zaken die sterker worden door gebruik. Deugdzaamheid is als een spier die je moet trainen, zo zegt hij, voortbouwend op Aristoteles’ Ethica.

Het is jammer dat Sandel dit punt slechts tussen neus en lippen door behandelt. Hij haalt ook geen onderzoek aan om het te ondersteunen. Sowieso levert Sandel vooral indirect, anekdotisch bewijs voor zijn constatering dat de markt oprukt. Zijn voorbeelden zijn weliswaar op zichzelf al betekenisvol, en hij laat ook zien hoe een woord als incentivize zijn opmars doet in de belangrijke Amerikaanse dagbladen, maar daar blijft het bij. Ook biedt ‘Niet alles is te koop’ vooral morele dilemma’s en erg weinig oplossingen. Sandel geeft zelf aan dat hij vooral het debat wil aanzwengelen over het belang van niet-commerciële waarden, maar zijn boek bevat net te weinig handvatten om dat debat ook echt grondig te gaan voeren.

Desalniettemin toont Sandel zich een meester in het ontwarren van de met de markt verknoopte maatschappij. Hij bezit een zeldzaam scherp analytisch fileermes – iets dat zijn eerdere werk over rechtvaardigheid zo geliefd maakte. En hoewel ‘Niet alles is te koop’ vooral over Amerika gaat, is de reikwijdte veel groter. Nederlanders zullen de vele bizarre voorbeelden van Amerikaanse vercommercialisering met ongeloof lezen, maar ook inzien hoe sterk ook Nederland door het marktdenken is beïnvloed.