De populistische verleiding (ESB)

Met het nog steeds nadreunende Brexit-referendum, de aanhoudende chaos na de verkiezing van Donald Trump en de opkomst van extreme(re) partijen in Europa, krijgt populisme veel aandacht in de publieke discussie. Wat is populisme, waar komt het vandaan, en is het in te dammen? Het nieuwe boek van Barry Eichengreen, The Populist Temptation: Economic Grievance and Political Reaction in the Modern Era, legt een economisch-historische bodem onder die discussie.

Eichengreen, hoogleraar aan de Universiteit van Californië (Berkeley), kennen we van eerdere boeken als Golden Fetters (1996), The European Economy since 1945 (2009) en Hall of Mirrors (2015). In The Populist Temptation borduurt Eichengreen voort op ideeën uit deze boeken, met dien verstande dat hij nu, naar eigen zeggen, met een “fundamenteel politiek” en “historisch” betoog komt.

De stelling die centraal staat in The Populist Temptation is simpel: hoe meer de elite tegemoet komt aan de frustraties van gemarginaliseerde groepen, hoe ongevaarlijker het populisme is. Zo kan het populisme nuttige hervormingen forceren, al blijft het spelen met vuur. Dit illustreert hij aan de hand van een reis door de moderne geschiedenis van met name Amerika, Groot-Brittannië en Duitsland, waarbij allerlei bewegingen en kleurrijke figuren de revue passeren. Steeds gaat Eichengreen op zoek naar de economische pijn, meestal onzekerheid en ongelijkheid, en de (beleids)respons van de politici en bestuurders van dienst – de vermaledijde elite.

Voorbeelden die Eichengreen gebruikt zijn de opkomst van het populisme onder boeren in het midwesten van Amerika eind negentiende eeuw, de populistische beweging die volgde op de Grote Depressie in 1930 en de Luddisten en andere groepen wevers die zich begin negentiende eeuw in Europa tegen industriële innovatie keerden. In alle gevallen werd een deel van de ideeën die voortkwamen uit de populistische stroming, zoals meer herverdeling en een minimumloon, overgenomen door de heersende partij. Ook de meer nationalistische ideeën, zoals protectionisme, werden deels overgenomen. Deze laatste ideeën pakten economisch gezien niet altijd goed uit, maar het populisme bracht gezien de eerstgenoemde voorbeelden dus ook veel goeds.

Gezien het populistische rumoer voor de Tweede Wereldoorlog, is het opvallend hoe kalm het in de periode erna is gebleven. Eichengreen ‘wijt’ dit aan de economische groei tussen 1950–1973, in combinatie met de opkomende welvaartstaten – een thema dat hij in The European Economy since 1945 al uitgebreid uitwerkte. Na de oliecrisis van 1973 verandert deze situatie: niet alleen halveert de groei, ook de impact die de globalisering en automatisering op laaggeschoolde arbeid heeft wordt onderschat. Het aandeel van de maakindustrie in Amerika tuimelt tussen 1970 en 2012 van 26 naar 10 procent. De onzekerheid en de tweedeling nemen toe en immigratie wordt een steeds groter thema. Zo wordt de lange weg die uitmondt in de Brexit en Trump ingezet.

Een adequate beleidsreactie op deze problemen blijft vooralsnog uit, sterker nog: zowel het Amerikaanse politieke systeem als de Europese Unie verergeren de situatie. In Amerika kan een populist door het winner-takes-it-all-kiesproces van het Electoral College-systeem president worden en veel macht verkrijgen – ook wat betreft het benoemen van rechters en centrale bankiers. De EU is volgens Eichengreen veel te elitair en Europese integratie wordt teveel top down opgelegd. En hoewel er redenen zijn om veel zaken centraal te regelen – toezicht op banken, het handhaven van één gezamenlijke buitengrens juist om immigratie goed te regelen – ziet Eichengreen eigenlijk geen reden om landen de Economisch Monetaire Unie op te dringen.

De uiteindelijke adviezen waar Eichengreen mee komt stellen iets teleur. In feite pleit hij voor inclusieve economische groei, door investeringen in onderwijs (inclusief ‘soft skills’ als empathie, om de robots voor te blijven), maar ook door het snijden in ‘excessieve’ regels en door het investeringsklimaat te verbeteren – wat hij verder niet uitlegt en waarmee hij zich erg ‘Amerikaans’ opstelt. Qua politieke hervorming in Europa hikt Eichengreen op twee gedachten: enerzijds wil hij meer directe democratie, bijvoorbeeld door in de Europese Commissie direct te kiezen, anderzijds pleit hij voor getrapte verkiezingen (zoals in Nederland), om populisten niet al te snel tot de macht te laten doordringen. Dat is verwarrend.

Uiteindelijk is The Populist Tempation geen politiek boek: het gaat namelijk niet echt in op de werking en de macht van populisme, ook psychologisch en cultureel – wat de populistische ‘verleiding’ nu echt is, wordt daardoor niet duidelijk. De materiële en institutionele voorwaarden voor populisme, en hoe deze zich in verschillen landen in verschillende tijden hebben gemanifesteerd, schetst Eichengreen echter voortreffelijk. Dat maakt hem een belangrijke stem in het debat. Een die we vaker aan het woord zouden moeten laten.

Zie ook ESB.nu